VU Magazine 1995 - pagina 468
gels de PR-lui van de wetenschap. Ze strijken alle plooien glad en weten de indruk te wekken als zou wetenschap een verheven aangelegenheid zijn, waarin men volgens vaststaande maatstaven werkt. De wetenschapsfilosofen wekken de suggestie dat er een duidelijk criterium bestaat waarmee de superioriteit van wetenschappelijke kennis gewaarborgd is. En dat is allemaal loze propaganda. Popper wist ook wel dat van zijn doctrine van de falsifieerbaarheid in de pralctijk weinig terechtkwam. Toch vond hij dat aan die norm moest worden vastgehouden om 'echte' kennis van 'onechte' te onderscheiden. Feyerabend vindt dat onzin, schrijft hij in zijn posthuum verschenen autobiografie. De werkelijkheid wordt daardoor aan de landkaart aangepast in plaats van andersom. Als Poppers regel streng was toegepast, zou de wetenschap snel zijn verdord.
spreken als van schrijven was hij altijd levendig en geestig, een satiricus in het bolwerk van de serieuze wetenschap. Hij accepteerde geen enkele vorm van dikdoenerij. Toen de theoloog Hans Küng eens opmerkte: "Men kan het niet met Feyerabend eens zijn", vroeg de filosoof sarcastisch wie die 'men' eigenlijk is. Durfde de geachte theoloog niet in de ik-vorm te schrijven? Dacht hij dat alleen door zich onpersoonlijk uit te drukken, zijn woorden voldoende gewicht kregen? Sommige mensen menen hun opinies te moeten omhullen met het gezag van de wetenschap, Feyerabend gooit daarentegen alleen zijn eigen persoon in de strijd. Hij heeft geen andere autoriteiten nodig. Voor zijn eigen subjectiviteit schaamt hij zich niet. Wat hij schrijft is ook altijd helder en toegankelijk. Zijn doel is dat iedere 'algemene lezer' hem kan begrijpen. Feyerabend wil niemand intimideren. Hij wil laten zien dat leesbaarheid niet gelijk staat met oppervlakkigheid. In de filosofie wordt duisterheid immers al te vaal<: verward met diepzinnigheid.
SACRAMENTEN
Veel vrienden heeft Feyerabend met zijn werk niet gemaalct. In het tijdschrift Nature is hij ooit de grootste vijand van de wetenschap genoemd. Te onzent was vorig jaar, kort na zijn overlijden, in NRC-Handelsblad een in memoriam te lezen dat ik mij als ietwat neerbuigend herinner. Verder heeft Rudy Kousbioek ooit gezegd dat het werk van lieden als Feyerabend de wetenschap miljoenen dollars heeft gekost. En het is waar: hij heeft ontegenzeggelijk bijgedragen aan de statusverlaging van de wetenschap. Maar niet omdat hij tegen de wetenschap als zodanig was, maar omdat hij haar van nrythes wilde ontdoen. Hij was geen anti-rationalist, maar wilde het rationalisme van zijn tirannieke verschijningsvormen bevrijden. ledere vorm van dogmatiek en intolerantie moet het bij Feyerabend ontgelden, in het bijzonder de dogmatiek en intolerantie van hen die denken buitengewoon verlicht te zijn. Mensen als Popper, vindt hij, zijn 'abstracte' denkers: ze hebben ergens in een studeerkamer een regel of een theorie bedacht en willen die aan alle mensen opleggen. Ze schrijven anderen voor hoe te denken, te handelen en te leven. Heel vermal<:elijk beschrijft hij in zijn autobiografie hoe een soort Popperiaanse Kerk ontstond: een sekte met een voorganger, toegewijde aanhangers en als sacramenten enkele vaste leerstellingen. In iedere zin, iedere voetnoot moest de naam van de grote voorganger worden vermeld. Niet dat Feyerabend principieel iets had tegen het idee van falsifieerbaarheid, hij weigerde alleen er een dogma van te maken; en voelde zéker geen enkele behoefte Popper als een heilige te vereren. In het doorprikken van zulke illusies van verlichtheid en tolerantie is Feyerabend fantastisch. Het is bijvoorbeeld prachtig om in zijn werk te lezen hoe hij een hele serie geleerden aan de schandpaal zet omdat ze een manifest tegen de astrologie hebben ondertekend. Hij toont aan dat die geleerden zich nooit serieus in de astrologie hebben verdiept, maar er toch potsierlijke opinies over debiteren. Ze gaan simpelweg van de vooropgezette mening uit dat astrologie fout is en achten het niet nodig hun meningen te toetsen. Zij presenteren zichzelf als bestrijders van vooroordelen, maar hun eigen bevooroordeeldheid is overdonderend. Feyerabend is de leukste filosoof van deze eeuw geweest en ik bewonder hem zeer. Zowel in zijn manier van WETENSCHAP,
CULTUUR
PRINCIPELOOSHEID
Toch heb ik, zeker na het lezen van zijn autobiografie, zo mijn aarzelingen gekregen. Die aarzelingen hebben te maken met zijn anti-moralisme. Feyerabend is een man met een grote liefde voor het theater en behept met een groot theatraal talent. In het theater sprain hem de mogelijkheid aan om verschillende standpunten en denkbeelden naar voren te brengen. Hij had een hekel aan kunst waarin het Goede en het Kwade duidelijk tegenover elkaar staan en waarbij het Goede uiteindelijk wint. Dat is moralistisch gedacht. Een theatermalcer moet het publiek niet willen beleren; mensen kunnen zelf wel oordelen. In het theater van de wetenschap was Feyerabend zelf een begenadigd acteur. Voor grote collegezalen voelde hij zich thuiS; door de adrenaline in zijn bloed steeg zijn retorisch talent tot grote hoogte. Eigenlijk maal<:te het dan niet eens zoveel uit wat hij zei. Hij vertelde eens dat hij het als jong geleerde al waagde om allerlei absurde standpunten op serieuze wijze te verdedigen. Moeiteloos kon hij in verschillende rollen kruipen, tegenstrijdige visies verdedigen en tegelijkertijd de tekortkomingen ervan laten zien. Aan absolute waarheden had hij een hekel. Elk standpunt is betrekkelijk. Bovendien is het saai altijd maar weer hetzelfde te moeten zeggen. Hij wisselde graag en vaak van mening. Die houding oogt als een sympathieke relativeringskunst en een verfrissende principeloosheid. Die relativeringskunst wordt echter wat wrang voor wie naar zijn leven kijkt. De in 1924 in Oostenrijk geboren Feyerabend heeft een groot deel van zijn leven nauwelijks enig politiek bewustzijn bezeten. Hij groeide op in de nazi-tijd, had niet veel met de nazi's op maar wenste zich ook niet nadrukkelijk van hen af te wenden. Zijn standpunten waren in feite tamelijk willekeurig. Eigenlijk was zijn belangrijkste behoefte er een van lekker pesten. Een antisemiet was Feyerabend niet, maar toen hij een foto van Stravinsky in een muziekwinkel zag hangen, meende hij toch - omdat hij ten onrechte dacht dat Stravinsky een jood was - zijn muziekleraar er aan te moeten herinneren dat er geen foto's van joden in winkels mochten hangen; die winkelier moest maar eens aangepakt. Voor Hitler had hij geen enkele sympathie. Hele pas-
es) SAMENLEVING 42
- OKTOBER
1995
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1995
VU-Magazine | 588 Pagina's