VU Magazine 1995 - pagina 274
duizenden nieuwe soorten zijn die geïnventariseerd en beschreven moeten worden, en tal van nog niet in kaart gebrachte ecosystemen. Toch is het zo langzamerhand tijd eens een tussenbalans op te maken voor een bezinning op de inzichten die dankzij dit nieuwe vakgebied zijn verworven en op wat er allemaal nog moet worden onderzocht.
voedingsstoffen niet meer uitsluitend zijn aangewezen op hun ondergrondse wortels die zich zo'n dertig meter lager bevinden. Deze strategie is geen uitzondering die zich tot slechts enkele lokaties of bepaalde categorieën bomen beperkt, maar komt voor in regenwouden op uiteenlopende continenten: in Costa Rica en Chili, maar ook op NieuwGuinea en Nieuw-Zeeland. Regenwouden zien er weelderig uit en lijken te kunnen voorzien in de behoeften van een enorme hoeveelheid leven, maar in veel gevallen is de bodem niet erg vruchtbaar, omdat veel van de voedingsstoffen door de voortdurende regenval zijn uitgeloogd. Dat de wortels in de door dode epifyten gevormde kroonhumus een kortere weg nemen in de voedselkringloop, verklaart mede hoe in deze streken voedingsstoffen kunnen worden opgeslagen. Omdat de rol van kroonlaagplanten in het geheel van het woud ons intrigeerde, begonnen mijn collega's en ik te onderzoeken wat voor gebruik vogels en andere gewervelde dieren van epifyten maken. Studies naar de symbiose tusssen tropische vogels en planten concentreerden zich veelal op voedingsbronnen in de lagere boom- en struiklagen. En afgezien van onderzoek naar specifieke soorten zoals kolibries, werd in maar weinig studies melding gemaakt van het belang van epifyten voor vogels. In 1985 begon ik met een onderzoek naar epifyten en vogels in een regenwoud in Costa Rica. Samen met een ervaren vogelwaarnemer en een student-assistent richtte ik in oudere en jongere delen van het woud veertien observatieposten in. Van zonsopgang tot zonsondergang zaten we om beurten zes uur lang op verplaatsbare, hangende platforms en legden we de aantallen en de gedragspatronen van voedselzoekende vogels vast. We zagen van dichtbij hoe onze studie-objecten in bloemen naar nectar, water of insekten zochten, m vruchten pikten, rond nectarafzettingen fladderden, in de mostapijten en kroonhumus naar insekten hapten, of water nipten uit plasjes in artisjokachtige bromelia's. Van de vijfenzestig soorten die op onze waarnemmgsplaatsen foerageerden, zocht zestig procent voedsel in en rond epifyten. In totaal bleek een derde van de voedselzoektochten gericht op epifyten. Er waren zelfs diverse soorten die hierin gespecialiseerd leken. Negen van de tien keer zocht het okerkleurige winterkonmkje naar voedsel in kroonhumus en nipte de paarskeelbergjuweel nectar uit
KROONLAAGHUMUS
Na mijn allereerste beklimming van de boomtoppen stormde ik terug naar de beoordelingscommissie van mijn universiteit om uit te leggen waarom ik de biologie van de kroonlaag moest bestuderen. Ik was er namelijk van overtuigd dat tussen de boomtoppen de sleutel tot de ecologie van het hele woud te vinden was. Ecologen definiëren de kroonlaag als het totaal - met inbegrip van lucht en ruimte - van alle afzonderlijke boomkruinen in een woud: bladeren, twijgen, kleinere takken en - misschien wel de belangrijkste van allemaal - epifyten: 'gastplanten' die op andere planten groeien zonder daaraan hun voedsel te onttrekken. In mijn onderzoeksvoorstel schreef ik dat ik epifyten en hun rol in de ecologische huishouding in een woud wilde bestuderen. De commissie, bestaande uit ecologen die met beide benen op de grond stonden, had zo haar twijfels. Waren er geen wetenschappelijke kwesties die gemakkelijker te bestuderen waren, bijvoorbeeld op de begane grond? In bomen klimmen leek een te leuke bezigheid om een wetenschappelijk doel te kunnen dienen. Maar uiteindelijk stemden ze toe. Voor mijn proefschrift zou ik een vergelijking maken tussen de ecologische rol van kroonlaagplanten in een gematigd regenwoud in de staat Washington en een tropisch nevelwoud in Costa Rica. De daaropvolgende twee jaar bracht ik door met het klimmen in bomen en het knippen van epifyten, en met het vervolgens verslepen daarvan naar het laboratorium om ze te verwerken en analyseren. Epifyten groeien wel op andere planten, maar het zijn geen parasitaire organismen zoals maretak, omdat ze voor water en voedingsstoffen niet van hun gastheer afhankelijk zijn. De gastheer is voor epifyten niet meer dan een verblijfplaats. Wanneer men ze daarvan verwijdert, overleven ze dat dan ook vaak. Een epifyt die uit de kroonlaag valt en op de begane grond terechtkomt gaat echter dood, waarschijnlijk door gebrek aan zonlicht. WETENSCHAP,
CULTUUR
Ik kwam erachter dat in gematigde regenwouden de door epifyten vertegenwoordigde hoeveelheid plantmateriaal viermaal zo groot was als dat van hun gastheren. In tropische regenwouden daarentegen vormden epifyten ongeveer de helft van het geheel aan boombladeren. Ook ontdekte ik dat bijna de helft van het organische materiaal van de dikke bladermatten in de boomkruinen van het regenwoud dood is. Ter plekke vergaat dat materiaal langzaam tot 'kroonlaaghumus', echte teelaarde dus, die bestaat uit afgestorven en verrotte epifyten. Die organische stoffen vormen weer een rijke voedingsbron voor zelfstandige mini-ecosystemen hoog boven de begane grond, compleet met in bomen levende aardwormen, kevers, mieren, planten en pollen-transporterende vogels. Omdat deze et) SAMENLEVING
32
- IUNI
199s
teelaarde bijna tien keer zo zuur is als de humus op de begane grond, zijn veel van de levensvormen die zich er daarboven mee voeden volstrekt anders dan het leven beneden in het woud. HANGENDE
PLATFORMS
fBsemasmmsasm
Toen ik daar al epifyten knippend rondklauterde ontdekte ik een van de bijzondere manieren waarop de kroonlaaggemeenschap zich voedt. Bij bepaalde boomsoorten spruiten uit de takken en stammen hele wortelstelsels die de pakketten met 'kroonhumus' inkruipen en zo de aanvoerlijn van voedingsstoffen aanmerkelijk bekorten. Het voordeel voor bomen met epifyten is dus dat deze voor WETENSCHAP,
CULTUUR
Q) SAMENLEVING
33
- /UNI
199 J
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1995
VU-Magazine | 588 Pagina's