VU Magazine 1995 - pagina 433
lijke bijdrage aan het invangen van slib in de Waddenzee. Op de boot had Oost al op een paar mosselbanken gewezen. "Ze komen langzamerhand weer terug", had hij gezegd, doelend op het recente verleden, toen de intensieve visserij en een paar stormwinters de mossel bijna uit het waddengebied deden verdwijnen. De kokkel trof eenzelfde lot waardoor veel eidereenden van hun voornaamste voedsel werden beroofd en de hongerdood stierven. De mosselen en kokkels kregen niet zo lang geleden behoorlijk wat aandacht in de media en het had dus voor de hand gelegen wanneer ook de conclusies van Oost over de waarde van de beide schelpensoorten belangstelling hadden gekregen. Maar de media hap-
ten niet, ook al was het nieuws dat de banken een belangrijke bijdrage leveren aan wat Oost het stillen van de zandhonger van de Waddenzee noemt. Oost: "De Waddenzee trekt zand aan, dat van de Noordzeekust van de eilanden afkomstig is. Zonder menselijk ingrijpen zullen de eilanden daardoor steeds meer naar het vasteland opschuiven. We hebben het dan overigens wel over een periode van duizenden jaren."
Onheilstijding Op kortere termijn zal de zandhonger van de Waddenzee toenemen door de verwachte stijging van de zeespiegel vanwege het broeikaseffect en door de bodemdaling vanwege de gaswinning. Oost deed dan ook de aanbeveling om een deel van de zeer aanzienlijke aardgasbaten te bestemmen voor het her-
stellen en verder uitbouwen van de mosselbanken. "Dat idee", zegt hij, "is wel besproken bij Rijkswaterstaat en bij de hoorders van de NAM, maar ik heb er daarna eigenlijk nooit meer wat van gehoord." Datzelfde geldt voor zijn gedachte om een deel van de zandhonger van de Waddenzee te stillen door Noordzeezand op het juiste moment en op de juiste plaats in de geulen tussen de eilanden te spuiten. "Waarschijnlijk goedkoper", zegt hij, "dan het vervoeren van zand naar de bedreigde plaatsen, wat nu gebeurt. Als je de stromingen kent, dan kun je het water het werk laten doen en het zand op de gewenste plaats laten afleveren." Ook op dat plan kreeg Oost weinig respons. "Een kwestie van volhouden", zegt hij. "fl<: zal er zo af en toe op feesten en partijen weer eens over beginnen." Wat wel opviel was zijn voorspelling dat Ameland in tweeën dreigt te breken. Die onheilstijding viel althans op te malcen uit het persbericht waarin de conclusies uit zijn proefschrift wereldkundig werden gemaalct, en Oost moest verschillende kranten uitleggen dat het zo toch niet zat. "Het gaat om twee processen", vertelt hij. "Tussen Ameland en Schiermonnikoog liggen het Pinkegat en de Zoutkamperlaag; dat zijn twee zeegaten. Het Pinkegat bestaat van tijd tot tijd uit verschillende kleinere gaten, die onder invloed van de stroming en de afzetting van sediment naar het oosten opschuiven. Daarbij gaan de westelijke gaten wat sneller dan de meer oostelijke en worden de laatste ingehaald. De zeegaten smelten dan samen. Dat is het eerste proces. Door die verschuiving naar het oosten groeit Ameland aan. Op den duur komen de zeegaten van het Pinkegat zo oostelijk te liggen, dat ze het water van het deel van de Waddenzee dat ze moeten draineren niet meer kunnen afvoeren. En dat is het tweede proces. Er ontstaat dan een nieuwe geul, die dwars door het aangegroeide deel van Ameland gaat. Omdat
WETENSCHAP,
CULTUUR
et) SAMENLEVING
7
- OKTOBER
het Pinkegat-systeem als geheel ook oostwaarts schuift, wordt de Engelsmanplaat, die tussen het Pinkegat en de Zoutkamperlaag ligt, langzamerhand geërodeerd. Waarschijnlijk zullen die beide zeegaten versmelten. Als dat gebeurt, zal Ameland eerst fors aangroeien, om daarna door het tweede proces weer te worden geërodeerd aan de oostkant. Geen paniek dus, het huidige Ameland gaat echt niet doormidden." Maar helemaal ondenkbaar is een dergelijke tweedeling van Ameland door de zee nu ook weer niet. Eerder op de dag had Oost gewezen op een smalle plek in de duinenrij. "Een paar stevige najaarsstormen en we krijgen hier een doorbraal<:", had hij gezegd, "dat hoort bij de normale dynamiek van het gebied. Het zou goede kanten hebben, al was het maar omdat de Noordzee dan nieuwe sedimenten afzet. Dat is nodig, want door de inklinking zal^t het niveau van het eiland voortdurend. Maar ja, je ziet daar in de polder de boerderijen liggen,- het is niet acceptabel om het hier te laten overstromen. Rijkswaterstaat zal wel ingrijpen met zandsuppletie. Dat móeten ze trouwens,- ze hebben de plicht om de huidige kustlijn te handhaven. Toch zou het interessant zijn om het gecontroleerd te laten gebeuren, zodat een meer natuurlijke ontwikkeling de kans krijgt." In het licht van de ondergaande zon fietsen we naar het Oerd om een laatste keer te sampelen. Het wordt stil; de toeristen zijn op weg naar huis of hebben zich op de terrassen verschanst. Ameland ademt weer rust. Uiteindelijk hebben we twee zware dozen zand verzameld en gunnen we onszelf de luxe van een taxi naar de laatste boot. Bussen gaan er al niet meer. In het donker rijden we terug naar Groningen met een kofferbal<; vol zand, dat we afleveren in het verlaten KVI. Daar zal Oost het in het laboratorium analyseren. "Ja", zegt hij, "een dagje sampelen levert genoeg materiaal voor een paar dagen werk in het lab. En op den duur wordt het een keurig onderzoeksrapport. Dan weten we weer wat meer over de Nederlandse kust."
1995
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1995
VU-Magazine | 588 Pagina's