VU Magazine 1995 - pagina 407
Een door Zuidmolukse kapers gegijzeld personeelslid wordt op het balkon van de Indonesische ambassade in Amsterdam onder schot gehouden. Deze bezetting vond gelijktijdig met de treinkaping hij Wijster plaats. lijk is, doet het slachtoffer er goed aan zijn woede zo snel mogelijk in te slikken. Gei Vadeis, die de treinkaping bij Wijster overleefde en jaren later zijn ervaringen op schrift stelde in het boek 'IJsbloemen en witte velden' (Anthos, 1989), geeft een beklemmende beschrijving van de eerste uren van de gijzeling en van de tegenstrijdige gevoelens van de verschrikte passagiers. Tegen een overmacht van zeven gewapende mannen valt weinig uit te richten. "Ik wil geen klachten of protesten horen. De machinist is al doodgeschoten. Wie de held wil spelen, moet daar maar aan denken", dreigen de kapers, terwijl ze met het pistool in de hand hun gijzelaars in een hoek drijven. De passagiers reageren verschillend: de een pleegt passief verzet door vreselijk traag in te gaan op de bevelen van de kapers, een ander is woedend en levert hardop commentaar, maar het gros van de mensen laat het hoofd hangen en maakt zich zo klein mogelijk. Iedereen voelt dat verzet hem het leven kan kosten. Als de situatie vervolgens voort-
duurt en men zich realiseert dat er geen vluchtwegen zijn, kan de woede ten opzichte van de daders langzaam worden omgevormd tot iets wat op vriendschap lijkt. Dat gebeurt niet zomaar. De voorwaarden waaronder het Stockholm-syndroom tot ontwikkeling komt, zijn nauw omschreven. In de eerste plaats moet er sprake zijn van levensgevaar, waaraan niet te ontsnappen valt. Vervolgens is het essentieel dat dader en slachtoffer in een isolement verkeren en niet of nauwelijks met de buitenwereld communiceren. Bovendien dient er bij de daders een zekere openheid voor contact met hun slachtoffers te bestaan. Als de Molukse kapers iedere betrokkenheid bij hun gijzelaars hadden afgeweerd en zich uitsluitend wreed en meedogenloos hadden opgesteld, was de kans op de ontwikkeling van een Stockholmsyndroom gering geweest. Voor de kapers had dat de zaak in zekere zin eenvoudiger gemaakt. Zolang de daders geen enkele vorm van vriendschap voor hun slachtoffers voelen, wordt de beslissing om er een neer
WETENSCHAP,
CULTUUR
&> SAMENLEVING
37
- SEPTEMBER
te schieten gemal<:kelijker genomen. Ger Vaders vermeldt dat de ZuidMolukkers die twee jaar na het drama bij Wijster opnieuw een trein kaapten, hun les wat dit betreft hadden geleerd. Van het begin af aan hebben zij elk contact met hun slachtoffers vermeden. Dag en nacht hielden ze de maskers voor hun gezicht, en ze spralcen zo min mogelijk. In de trein bij Wijster daarentegen werden de eerste dag al voorzichtige contacten gelegd tussen kapers en gijzelaars. Al snel begon bij beide partijen het besef door te dringen dat men zich in zekere zin in hetzelfde schuitje bevond. De gijzelaars hadden weliswaar geen enkel alternatief, maar ook de kapers zaten vast. Dertien dagen lang moesten ze het met hun gevangenen zien te redden in een en dezelfde bedompte en verduisterde ruimte. Ze waren afgesloten van de buitenwereld en voor contact afhankelijk van een krakende veldtelefoon. Daders en slachtoffers hadden in dezelfde mate last van ijzige kou, van gebrek aan water en voedsel, van de wc die niet 1995
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1995
VU-Magazine | 588 Pagina's