VU Magazine 1997 - pagina 193
Köbben: "De vergelijking van de hoogleraar chirurgie gaat mank. Het is niet zo dat wetenschappers te onderscheiden zouden zijn in theoretici die louter boeken lezen en boeken schrijven, en praktici die de toepassing voor hun rekening nemen. Een hoogleraar leest, schrijft en doceert niet alleen, hij onderzoekt zelf ook. Dat is zijn praktijk. Het kan best zo zijn dat een hoogleraar die buiten de universiteit ook nog praktisch werkzaam is, zijn studenten meer te vertellen heeft. Maar waar het mij om gaat is, dat hij, als hij zich trouw van al zijn universitaire taken kwijt, nooit de tijd kan overhouden om ook nog eens een ton per jaar bij te verdienen. Dan moet hij zijn baan bij de universiteit minstens voor een gedeelte opgeven." wcs: "Dat is duidelijk. Maar nog even terug naar de overgangsperiode waar de universiteit zich volgens Noorda in bevindt. Hoe past het contractonderzoek daar in?" Nooida: "Ik bespeur de neiging om alle contractonderzoek over één kam te scheren. Maar het ene contractonderzoek is het andere niet. Tot die holding waar ik het zonet over had, behoort een groep van twintig, dertig mensen die zich met milieuonderzoek bezighouden. Dat is gewoon een zakelijke onderneming; daar zit ook geen geld van de universiteit meer in. Daarnaast heb je de jurist die een adviesje schrijft voor een of andere maatschappelijke organisatie. Waar ik als bestuurder altijd op blijf hameren - maar gelukkig doen wetenschappers dat zelf misschien nog wel meer - is dat de universiteit haar autonoraie en zelfstandigheid nooit uit het oog mag verliezen." wcs: "En die komt door al deze ontwikkelingen niet in gevaar, volgens u?" Noorda: "Nee, nooit. Want wat de universiteit voor de maatschappij nu juist zo interessant maakt, is die afzonderlijke, autonome positie. En alleen al daarom moet de universiteit altijd een buitengewoon ruime ontwikkelingsmogelijkheid houden, die niet gestuurd wordt door ad hoc vragen en opdrachten." Köbben: "Op grond waarvan kunt u zo stellig beweren dat die autonomie nooit in gevaar zal komen? U zult mij niet horen beweren dat die hele derde geldstroom van fraude en corruptie aan mekaar hangt. Maar ik vind uw stelligheid wel wat erg boud."
Noorda: "Maar ik bestrijd dat dit eerder regel dan uitzondering zou zijn. Het is een spel waarbij wetenschappers uitstekend weten waar de grens ligt..." Köbben: "Was dat maar waar! Als regel, zegt u. Ja, potverdikkie, stel je voor dat het regel was dat onderzoekers smoesjes moesten verkopen om opdrachtgevers van dienst te zijn. Dat zou pas verschrikkelijk zijn. Maar toch komt het vaker voor dan u denkt. Juist met dat evaluatie-onderzoek is dat het geval. De opdrachtgever gaat daarmee helemaal niet vanwege de onafhankelijkheid naar de universiteit, maar om, als ze hun zin hebben gekregen, te kunnen roepen: 'Wat wij zeggen is niet zo maar een mening, het is wetenschappelijk bewezen!' De ouderwetse waarheidspretentie van de wetenschap wordt te hulp geroepen, terwijl ze tegelijkertijd de onderzoekers op allerlei manieren onder druk zetten om de uitkomst te krijgen die ze willen horen. Ik heb schrille verhalen te horen gekregen van onderzoekers uit de gezondheidszorg, uit economisch onderzoek, uit milieuonderzoek, die me bezworen hebben: 'Alsjeblieft, vertel het niet verder!' In al die gevallen gaat het om het subtiel onder druk zetten van de onderzoeker. En daar helpt geen contract tegen." Van Rosmalen: "Iets van die spanning herken ik wel. Maar misschien is die ook wel goed, zo lang je maar aan de goeie kant van de streep blijft. Iemand die onder druk van een opdrachtgever resultaten vervalst is goed gek en hoort aan een universiteit niet thuis. Maar als een onderzoeker zegt: 'Wat de minister met mijn resultaten doet, moet de minister weten, maar ik blijf bij mijn conclusies', dan is die spanning open en bloot en kan iedereen zijn eigen conclusies trekken." Köbben: "Maar vindt u het realistisch om daar dan maar op te vertrouwen? Er wordt gemarchandeerd, want er is geld mee gemoeid!" Van Rosmalen: "Natuurlijk! Maar wat is nu eigenlijk uw afweging? Dat we helemaal maar geen contractonderzoek meer moeten doen? Of zegt u: 'Blijf verschrikkelijk alert dat je die spanning creatief hanteert en niet door de knieën gaat'?"
Noorda: "Ik ben zo stellig omdat externe opdrachtgevers juist vanwege die onafhankelijkheid ervoor kiezen een universitair onderzoek te laten verrichten. Wetenschappers en opdrachtgevers hebben allebei belang bij universitaire autonomie." Köbben: "Nee, nee, dat is niet waar!" Noorda: "Alleen daar dreigt gevaar, waar een opdrachtgever hypocriet is en eigenlijk geen onafhankelijk onderzoek met objectieve resultaten wil, maar zijn eigen praktische of politieke inzichten bevestigd wil zien. Dat zie je overigens vooral gebeuren bij opdrachten van overheden voor onderzoek waarmee een politiek belang gemoeid is." Köbben: "Dat bedoel ik nou net; het zogeheten evaluatieonderzoek, dat is altijd riskant." Noorda: "Dat zijn situaties waarbij wetenschappers getoetst worden op hun ruggengraat." Köbben: "Precies!"
Van links naat- rechts: dr S.J. Noorda, prof.dr A.J.F. Köbben en drs C.M.A. van Rosmalen.
WCS
MEI/JUNI
1997
41
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
VU-Magazine | 434 Pagina's