Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1997 - pagina 38

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1997 - pagina 38

5 minuten leestijd

Lekke band 'Alternatieve' genezers zien vaak niet zo veel in dubbelblind-onderzoek. "Aha", denkt dan de skepticus, "zij durven niet met de billen bloot, zij vertrouwen hun eigen middeltjes zelf dus ook niet". Maar dat is een te snelle reactie. Wat zo'n alternatieveling afwijst is niet zozeer een onderzoeksmethode, alswel de vooronderstellingen die ten grondslag liggen aan het gebruik van die methode in dit soort gevallen. In geneesmiddelenonderzoek wordt de relatie tussen arts en patiënt teruggebracht tot die tussen een rijwielhersteller en een lekke band. Een goede reguliere arts is veel meer dan dat, maar die bedrijft geen wetenschap, die geeft zorg en dat is een heel ander chapiter. De dokter van het onderzoek kijkt, stelt een diagnose en schrijft een pil voor, punt. En zelfs de zorgzame reguliere dokter acht dat onder bepaalde voorwaarden aanvaardbaar. In niet-reguliere behandelpraktijken ligt dat vaak wat anders: de patiënt is geen lijf met een reparabel defect, maar een compleet mens dat onderdeel uitmaakt van een sociaal verband. De oorzaak van de klacht zit niet op dat ene kapotte plekje, maar veel diffuser verspreid in dat grote geheel. Een behandeling omvat dan niet alleen wel of geen pil, maar ook diepgaande gesprekken en adviezen om in relevant geachte opzichten anders te gaan leven. Die behandeling, en dat is de crux, is voor elke patiënt weer anders. Er is dus geen sprake van een standaardbehandeling die alle patiënten met dezelfde klacht allemaal op de zelfde manier krijgen. Er is dus niets dat zich dubbelblind laat onderzoeken. Natuurlijk zou je kunnen onderzoeken of patiënten die alternatieve gezondheidshulp zoeken wat levensverwachting betreft verschillen van patiënten die bij de reguliere hulp blijven. Maar veel alternatievelingen zijn meer in levensgeluk dan in levensduur geïnteresseerd. Natuurlijk laat ook levensgeluk zich met enige moeite 'meten' (al blijft onduidelijk wat je dan precies meet), maar wat zegt het als je dan verschillen vindt? Het is denkbaar dat allerlei persoonlijkheidskenmerken bepalen naar

38

wcs

JANUARI/FEBRUARI

1997

wat voor arts iemand gaat: je meet dan dus verschillen tussen patiënten, en niet zozeer tussen artsen. Bovendien zou je wel eens kunnen vinden dat alternatieve artsen tevredener patiënten hebben, en geen skepticus die daaruit de conclusie trekt dat zulke artsen 'beter' zijn. Dit voorbeeld maakt één ding duidelijk: de beperkingen die onderzoekers zichzelf opleggen, stellen niet alleen grenzen aan het risico dat er uit onderzoek onzin komt - het nobele doel van die methodische beperkingen - maar ook aan wat zich zo laat onderzoeken. En de ononderzoekbaarheid van sommige geneeswijzen is maar één voorbeeld. Dat je vrienden je aardig vinden, dat God bestaat, dat al die mensen en dingen waarop je dagelijks vertrouwt het vertrouwen waard zijn, laat zich allemaal nauwelijks wetenschappelijk vaststellen. Maar belangrijk is het wel, veel belangrijker zelfs dan heel wat van de spectaculaire zaken waarin de wetenschap wel uitblinkt. Wie zegt dat iets niet wetenschappelijk is aangetoond, bedoelt meestal dat er een luchtje aan zit. En er is enig verband tussen wetenschap en luchtjes: veel waar een luchtje aan zit, is niet wetenschappelijk onderzocht. Maar je mag dat niet omdraaien. De meeste dingen die belangrijk voor ons zijn, zijn niet wetenschappelijk onderzocht, en ook niet onderzoekbaar. Wie meent dat ergens een luchtje aan zit zal dus met andere argumenten moeten komen.

Oplichterij Er is een hoop onzin in de wereld. En het is mooi als mensen zich ervoor inzetten die onzin te ontmaskeren en aan de kaak te stellen. Ik vraag me alleen af of dat precies genoeg aangeeft waar skeptici zich voor inzetten. Laten we eens een onderscheid maken tussen drie mogelijke bronnen van onzin: de meer-dan wetenschapper, de pseudo-wetenschapper en de echte wetenschapper. De meer-dan-wetenschapper hebben we in zekere zin al gehad. Dat is iemand die eerst vaststelt wat hij belangrijk vindt. Vervolgens kijkt hij of daar wetenschappelijk iets over te zeggen valt. En als dat niet kan, kiest hij voor andere, meer persoonlijke, subjectieve, benaderingen

en kennisbronnen. Ik zie daarbij maar één probleem. Als je zulke mensen aanvalt op het 'onwetenschappelijke' van hun benadering dan verdedigen ze zich vaak met het argument dat je een veel te beperkte opvatting hebt van wat 'wetenschappelijk' mag heten. Het probleem is dat ze het etiket 'wetenschap' op hun werk willen plakken, omdat er geen andere etiketten zijn die kwaliteit lijken te garanderen. Vanwege de emotionele lading van 'wetenschappelijk' - betrouwbaar, controleerbaar, met heroïsche inspanning verkregen - rekken ze de feitelijke betekenis van dat begrip - die verwijst naar een beperkte reeks methoden en technieken - vrij ver op. En dat is jammer, want begrippen die te veel lading dekken worden nietszeggend. Wetenschap, in de beperkte zin des woords waar ik graag aan vasthoud, is maar één manier om kennis te verkrijgen. Theologen, antroposofen, helderzienden, hanteren andere manieren. Over de juistheid van hun inzichten zegt dat nog niets. Maar de criteria van de skeptici zijn hier gewoon niet van toepassing. De pseudo-wetenschapper lijkt op de meer-dan-wetenschapper in de zin dat hij het etiket 'wetenschappelijk' claimt. Maar wat hij doet is gewone oplichterij. Dat brengt ons bij de brandende vraag hoe je die twee onderscheidt. En dat is lastig. Maar een belangrijk verschil is wellicht dat je bij een meer-dan-wetenschapper in de leer kunt, en bij een pseudo-wetenschapper niet. Natuurlijk, je zult daarbij aan bepaalde eisen moeten voldoen en bepaalde veronderstellingen moeten aanvaarden, maar dat moet je altijd als je iets leren wilt. Als je aan de toelatingseisen voldoet, dan kun je theologie studeren, je tot homeopathisch arts laten scholen, psychotherapie leren geven, en zo nog heel veel meer. Bij pseudo-wetenschappers kun je niet in de leer. Daar mag je niet in de keuken kijken. Ze hebben een show en een gironummer, maar dat is het dan ook. Voor de skepticus is de pseudowetenschapper een makkelijke prooi. Maar 'makkelijk' was nu juist het handelsmerk van de skepticus niet. Negeren die handel, zou ik zeggen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997

VU-Magazine | 434 Pagina's

VU Magazine 1997 - pagina 38

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997

VU-Magazine | 434 Pagina's