Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1997 - pagina 184

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1997 - pagina 184

5 minuten leestijd

zijn architectonisch ontwerp vandaag in feite niet tot een onbewoonbare bouwval moet worden verklaard. Cultuurpessimisten beschouwen Von Humboldts universiteit inderdaad als een ruïne en wijzen ter adstructie van dit standpunt op de frictie tussen een overheid die om niet hoogleraren onderhoudt die voor het leven zijn benoemd en in volle vrijheid kunnen doen en laten wat ze willen, met als gevolg dat studenten ongestructureerd en veel te lang studeren. Von ]-[umboldt is niet meer dan een schitterende fafade van fraaie idealen - de universele wetenschap, het samengaan van onderwijs en onderzoek, Bildung en zo meer - waarachter een regelrechte puinhoop vol gelanterfant, handjeklap, resultaatloos hobbyisme en ondoorzichtige besluitvorming schuilgaat. En als het al geen puinhoop zou zijn, dan is een universiteit naar Von Humboldts model vandaag de dag gewoonweg onbetaalbaar geworden, aldus de verklaarde tegenstanders. Die onbetaalbaarheid is dan vooral een gevolg van het feit dat sinds de roemruchte jaren zestig, op de toppen van de geboortegolf die kort na de Tweede Wereldoorlog het licht zag en voortgestuwd door de democratisering, ook het 'gewone volk' zich massaal toegang is gaan verschaffen tot de universiteit. Nut voor het algemeen Het is, aldus degenen voor wie Von Humboldt inmiddels niet meer is dan een lijk in de academische kast, daarom alleen maar billijk dat de overheid nu een nieuwe afweging maakt tussen de individuele belangen van studenten en het algemeen belang van de samenleving als geheel. Dat wordt dus vergelijken tussen de appels van studenten die goedkoop, want voornamelijk gefinancierd inet gemeenschapsgelden, een studie volgen die hun in de meeste gevallen in het vooruitzicht stelt van een bovenmodaal inkomen straks, en de peren van de maatschappij die, op grond van deze niet geringe investeringen, toch zeker enig nut voor het algemeen mag verwachten. Maar er zijn er nog die Von Humboldts ideaal onverminderd trouw blijven. Zij wijzen erop dat juist het maatschappelijk nut van het universitaire onderwijs en onderzoek niet met objectieve maatstaven te meten is, laat staan in ronde cijfers uit te drukken als percentage van het bruto nationaal product. Alleen in vrijheid kan een universiteit vruchtbaar werken, sprak de Maastrichter maatschappij- en cultuurhistoricus pro/, dr A. Labrie, in 1994 tijdens een congres over 'De waarde van de universiteit': "Dat maatschappelijk belang ligt namelijk niet vast en kan dan ook niet op voorhand worden gedefinieerd door de staat of door de bestaande beroepspraktijk." Onze moderne samenleving is zeer veranderlijk, aldus Labrie. De universiteit heeft vrijheid en openheid nodig om kritisch en flexibel op dergelijke veranderingen te kunnen reageren: "Door de universiteit op voorhand af te stemmen op de belangen van staat en beroepspraktijk, verliest zij de openheid en kritische functie en dient zij slechts ter bevestiging van de bestaande verhoudingen", aldus de cultuurhistoricus die nadrukkelijk zichzelf als verdediger van Von Humboldts omstreden gedachtegoed opstelde. Een ideale universiteit is op een kritische manier maatschappijgericht, speelt wel degelijk in op de maatschappe-

32

wcs

MEI/JUNI

1997

lijke actualiteit, maar dient juist daarom een vrije, ongebonden positie in te nemen ten opzichte van de overheid die haar financiert. Intussen heeft de tijd niet stil gestaan en lijkt de universiteit steeds verder af te drijven van dit fraaie ideaal van een 'Von Humboldt nieuwe stijl'. Niet alleen de overheid draait de universiteit de duimschroeven aan, maar ook maatschappelijke (non-profit)organisaties en het bedrijfsleven laten zich gelden, soms subtiel, dan weer met de botte bijl. Na alle ministerieel verordonneerde bezuinigingsronden, taakverdelings- en andere saneringsoperaties, en mede onder invloed van demografische ontwikkelingen die een afname van het studentenaanbod veroorzaakten, zijn de gezamenlijke Nederlandse universiteiten in het defensief gedrongen. Of - liever gezegd in het offensief. Want de concurrentiestrijd tussen de universiteiten onderling woedt inmiddels heviger dan ooit. Het gaat daarbij allang niet meer uitsluitend om het lokken van studenten, maar vooral ook om het binnenhalen van lucratieve onderzoek- en onderwijsprojecten die het krap geworden universitaire budget kunnen verhogen. Zulke externe klantjes stellen uiteraard hun eisen; eisen die vaak aanmerkelijk verder reiken dan alleen het bepalen van wat er precies door wie voor dat geld onderzocht en onderwezen wordt. Het tijdstip waarop de resultaten van het onderzoek door de universiteit bekend mogen worden gemaakt - als dit op grond van concurrentieoverwegingen al is toegestaan - en, naar verluidt, zelfs de uitkomsten ervan worden soms door de opdrachtgever gedicteerd. En terwijl de in zwang zijnde disciplines op die manier onder invloed van hun eigen succes dreigen te verkazen, verkommeren de minder courante vakgebieden. De commercialisering van de universiteiten doet zich ruwweg in drie gedaanten voor. Meest in het oogspringend is uiteraard het zogeheten contractresearch: een scherp omkaderd wetenschappelijk onderzoek dat tegen een afgesproken bedrag en binnen een dito termijn in opdracht van derden binnen de academische muren wordt verricht door medewerkers die in dienst zijn van de desbetreffende universiteit. Dit zogeheten 'derde-geldstroomonderzoek', dat een wat minder gangbare pendant vindt in het contractonderwijs, heeft de afgelopen decennia een onstuimige groei doorgemaakt. Naast de 'eerste geldstroom' - de rechtstreekse verdeling van gelden onder universiteiten door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen - en de penningen uit de 'tweede geldstroom' eveneens van het ministerie afkomstig, maar via de op deskundigheid gebaseerde, verdelende rechtvaardigheid van NWO aan aspirant-onderzoekers verstrekt, is die derde geldstroom tussen 1982 en 1994 gegroeid van een luttele honderd miljoen gulden naar een niet te versmaden kluif van 1,3 miljard. De gehele ontwikkeling wordt nog eens versterkt door het feit dat steeds meer universiteiten bereid blijken hun ziel te verkopen en het incidentele kortlopende contractonderzoek gretig inwisselen voor langlopende, meeromvattende 'strategische allianties' met grotere bedrijven die wat meer te besteden hebben in de sector research &) development.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997

VU-Magazine | 434 Pagina's

VU Magazine 1997 - pagina 184

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997

VU-Magazine | 434 Pagina's