VU Magazine 1997 - pagina 233
BrêëJènde'Öïobakfeé»" Er zijn leukere klussen dan 's zomers de bakken met groente-, fruit- en tuinafval ophalen. Maar wordt de gezondheid van de vuilnisophalers ook daadwerkelijk bedreigd door de inhoud van de biobakken? Deze zomer leidt milieuhygiënist il Inge Wouters van de Landbouwuniversiteit Wageningen een onderzoek naar mogelijke gezondheidsrisico's van gftafval, in opdracht van de ministeries van VROM en Sociale Zaken. Hoe gaat iz dat aanpakkenl "Bij vier of vijf gemeentelijke vuilnisophaaldiensten krijgen de medewerkers
gedurende enkele dagen een pompje en een filter omgehangen. Na afloop worden de verzamelde schimmels en bacteriën geanalyseerd. Een groter aantal vuilnisophalers krijgt een vragenlijst in te vullen. We willen ook weten of ze bijvoorbeeld maag-, darm-, of luchtwegklachten hebben. Wellicht kunnen we achterhalen of de aandoeningen te maken hebben met het gft-afval. Op dit moment hebben we geen idee of er echt meer klachten zijn dan gebruikelijk. Er is wel vrij veel ziekteverzuim, maar het is niet bekend of dit iets met het gft-afval te maken heeft. Wat dit betreft zijn we nog blanco."
Wat als er wel degelijk schadelijke gezondheidseffecten zijnl "Tja, dan moeten we op een of andere manier de blootstelling zien te verminderen. Het is echter bijna onmogelijk oin een afgesloten systeem te maken. Er vindt altijd wel beroering van het afval plaats; schimmelsporen vliegen bijvoorbeeld gewoon in het rond. En de vuilnisophalers beschermende kleding voorschrijven zal ook op bezwaren stuiten." (MT)
wijsmateriaal is niet overtuigend en hij breidt het geldigheidsdomein van zijn concept zonder onderbouwing uit. Waar Sheldrake eerst het begrip morfologisch veld hanteert, wat betrekking heeft op ontwikkelingsprocessen van organismen, verandert hij de naam later in morfisch veld en past dit toe op dierlijk en menselijk gedrag, sociale en culturele systemen en mentale activiteiten. Als ik erop wijs dat een argumentatie voor deze aanzienlijke uitbreiding van de reikwijdte van het begrip ontbreekt, noemt Voorzanger dat flauw.
gevallen omgekeerd evenredig zijn met het aantal verschillende populaties. Zonder enige gêne schrijft Voorzanger deze uitspraken aan mij toe en beweert hij dat ik stel dat de evolutionaire ecologie wèl wetenschappelijk is. Ik ambieer echter niet een uitspraak te doen over de wetenschappelijke status van verschillende stromingen binnen de ecologie. Net als Keulartz betoog ik juist dat dit niet wezenlijk is voor de vraag welk belang wij mensen aan biodiversiteit dienen te hechten. Dit is vooral een ethische vraag, en de oude Hume wist al dat ethische kwesties een zekere zelfstandigheid ten opzichte van de feiten hebben en niet met louter wetenschappelijke middelen op te lossen zijn, al helemaal niet in dit geval waarin er geen wetenschappelijke consensus lijkt te bestaan. Wanneer Voorzanger zijn procédé van het zich niets aantrekken van wie er wat zegt in welke context consequenter had toegepast, had hij misschien meer van zijn gading in mijn proefschrift kunnen vinden. Wellicht waren parafrases van Capra of Sheldrake erg geschikt geweest; Voorzanger vertaalde immers boeken van hen. Vooraleer mij van vooringenomenheid te beschuldigen, had hij zich beter eerst op zijn eigen parti-pris kunnen bezinnen.
INGEZONDEN
Partis-pris In het mei/juni-nummer van wcs geeft Bart Voorzanger lucht aan zijn nauwelijks verholen irritatie over mijn proefschrift 'Copernicus is ziek - een geschiedenis van het New-Agedenken over natuurwetenschap'. Zijn startschot is de stelling dat de door mij besproken denkers als Theodore Roszak, Rupert Sheldrake, Fritjof Capra en fames Lovelock naast hun durf nieuwe paden te betreden en hun lot door sommige lieden het etiket New Age opgeplakt te krijgen, weinig meer gemeen hebben dan mijn weerstand tegen hen. Vervolgens illustreert Voorzanger mijn vooringenomenheid aan de hand van enkele listig uit het zinsverband gelichte halve zinnetjes. Daarbij gaat hij te werk met zo'n gebrek aan verlangen mijn standpunten en argumentaties adequaat weer te geven, dat ik mij genoodzaakt voel het een en ander recht te zetten. Een van de auteurs die ik in mijn dissertatie bespreek is de Britse bioloog Rupert Sheldrake, bekend van zijn theorie van het morfische veld. Na een uitgebreide analyse kom ik tot de slotsom dat Sheldrake's ambitie een alomvattende wereldbeschouwing natuurwetenschappelijk te funderen hem wat roekeloos en onzorgvuldig maakt. Hij raakt verstrikt in een tegenspraak over het dragende principe van zijn morfische veld, zijn be-
Het woord onzin acht hij van toepassing op wat ik over biodiversiteit te berde breng. Voorzanger richt zijn pijlen op uitspraken die hij ontleent aan een passage waarin ik kritiek van milieufilosoof fozef Keulartz op de radicale ecologie bespreek. Keulartz bekritiseert in zijn boek 'Strijd om de natuur' de raanier waarop ecologen als Arne Naess hun pleidooi voor biodiversiteit wetenschappelijk gezag trachten te geven. De wetenschappelijke consensus over het belang van biodiversiteit zou volgens Keulartz niet bestaan. Sterker nog, in vakwetenschappelijke kringen zou de systeemecologie waar de radicale ecologen zich op beroepen het moeten afleggen tegen de evolutionaire ecologie. En volgens de laatste stroming, stelt Keulartz, zou de stabiliteit van ecosystemen in bepaalde
Tomas Vanheste, Duivendrecht
wcs
JULI/AUGUSTUS
1997
9
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
VU-Magazine | 434 Pagina's