VU Magazine 1997 - pagina 210
de tijd) kan die, althans aanvankelijk, alleen maar toenemen. Maar wie daar een aan evolutie inherente neiging in ziet maakt dezelfde fout als wie een dronkeman een inherente neiging toeschrijft om in goten te belanden. Stel je een ladderzatte medemens voor die zojuist het café verliet, nog even leunt tegen de wand naast de deur, en dan begint aan een reeks volstrekt richtingsloze passen. Er is een kans dat hij (of zij) na twee passen al weer bij de muur terug is. Maar daar kan hij niet verder, en bovendien heeft hij daar voldoende houvast om met om te vallen. Dan begint het spel opnieuw, en ooit komt er een zó lang kronkelpad dat hij struikelt over de stoeprand en verdoofd in de goot blijft liggen. De reden dat deze stumper in de goot eindigt is niet dat hij daarheen gedreven wordt. De reden is eenvoudig dat hij overal weer weg kan, en uiteindelijk ook weg raakt, behalve uit die goot. Hij kan het niet helpen dat hij daar eindigt, net zomin als levende wezens het kunnen helpen dat ze wel eens ingewikkelder, of groter, of slimmer, of wat dan ook maar, worden dan hun eerste voorouders. Alles mooi en aardig, zult u zeggen, maar evolutie leidt er toch minstens toe dat organismen beter en beter aangepast raken aan het leven dat ze leiden. Het echte vooruitgangscriterium mag dan geen intelligentie of complexiteit zijn, optimaliteit is wel zo'n criterium! Alleen, optimaal betekent nooit meer dan 'beter aangepast aan de heersende omstandigheden dan alle alternatieven die er waren', het heeft uitsluitend een lokale betekenis, zowel in de ruinrte als in de tijd. En waar de lokale omstandigheden steeds weer veranderen, is wat heden optimaal is dat morgen vaak met meer. Het leven is een race tegen de omstandigheden, en aangezien die omstandigheden nergens heen gaan gaat het leven ook nergens heen.
eencelligen. Per slot van rekening is het leven op aarde voor meer dan de helft van zijn bestaan louter eencellig geweest. Maar die eencelligen vormen niet alleen de oorsprong van het leven. Ook vandaag nog zijn ze verreweg in de meerderheid. Qua aantallen uiteraard, maar het lijkt er meer en meer op dat ze ook qua soortenrijkdom, qua verspreiding, en zelfs qua biomassa de rest overtreffen. Hoe beter onze technieken voor het opsporen van bijvoorbeeld bacteriën worden, des te meer we er vinden, en op des te meer plaatsen we ze vinden. Het begint erop te lijken dat er nauwelijks plekken op aarde zijn waar ze niet massaal voorkomen. We vinden ze in het ijs en in gloeiend hete bronnen, op de toppen van hooggebergten, op de diepste bodems van de oceanen, en zelfs een flink stuk onder de aardbodem, tot diep in schijnbaar ondoordringbare gesteenten toe. Meercellig leven is een kortstondige schuimlaag op een zee van eencellig leven, en van die schuimlaag zijn wij niet meer dan een snel verwaaiend vlokje. Wie dat vlokje van voldoende dichtbij bekijkt zal versteld staan over de vormen en kleuren die daarin te zien zijn, en over de processen die tot die rijkdom geleid hebben valt vast veel interessants te vertellen, maar wie de zee begrijpen wil heeft daar weinig aan. Dawkins uitgebreide selectieverhalen zijn geen onzin, maar ze gaan over zijtakjes van zijtakjes van zijtakjes. Hij werkt gedetailleerd uit welke krachten en beginvoorwaarden ervoor gezorgd hebben dat de mens-erger-je-nietende kleuter juist nü zes gooide. Daar kun je je hele leven aan wijden. Het is een geweldige intellectuele uitdaging. En voor wie zich verbaast over déze zes, juist nü, is het resultaat beslist van belang. Maar het spel als geheel wordt er nauwelijks inzichtelijker door. Het spel als geheel is de geschiedenis van het leven op aarde die loopt van uitsluitend eencelligen naar voornamelijk eencelligen. Veel hogers zit er niet in.
Naar aanleiding van: Richard Dawkins, 'Climbing Mount Improbable', in het Nederlands verschenen als 'Het toppunt van onwaarschijnlijkheid'. Contact, 1996; Stephen jay Gould, 'Full house', in het Nederlands verschenen als 'De gok van de evolutie'. Contact, 1997;
Hete bronnen Goulds verhaal over het evolutionaire struikgewas wijst ook op andere gangbare vooroordelen. Het complete wortelstelsel, en een groot deel van de rest van dat struikgewas bestaat uit
58
wcs
MEI/JUNI
1997
Stuart Kaufman, ' A t home in the universe', in het Nederlands verschenen als "Eieren, straalmotoren en paddestoelen'. Contact, 1996.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
VU-Magazine | 434 Pagina's