Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1997 - pagina 199

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1997 - pagina 199

5 minuten leestijd

len moeten ook zeker gegarandeerd worden. En die garanties zijn er in Nederland niet altijd in voldoende mate. Wanneer een wetenschappelijk talent benoemd wordt tot hoogleraar, bestaat zijn werk vervolgens grotendeels uit managementstaken. Niettemin is er slechts een beperkt aantal grensverleggende wetenschappers nodig. Een nieuwe Darwin of Einstein staat niet zo vaak op, en gelukkig raaar, dat is ook nergens voor nodig. In het onderwijs in Nederland is het uitgangspunt dat we in principe van kleuterschool tot Nobelprijs behoren op te leiden. Het vervelende is echter dat nauwelijks één procent van de opgeleiden, in het grensverleggende onderzoek terechtkomt. En het is de vraag, vindt Snijders, of er niet heel veel geld over de balk wordt gesmeten, wanneer universiteiten desondanks studenten tot ontdekker willen vormen. Naast ontdekkers zijn er uitvinders. Van zulke mensen zijn er aanzienlijk meer nodig. Zij moeten bruggen kunnen bouwen en weten hoe je een gebouw neerzet, of ze moeten een nieuw type cd-speler kunnen ontwikkelen. Een uitvinder hoeft niet het individualistische, creatieve vermogen van de ontdekker te bezitten, maar moet vooral goed kunnen samenwerken. Hij opereert niet in zijn eentje maar in een collectief, behoort niet zozeer westerse maar eerder oosterse talenten te bezitten. Voor een uitvinder is het niet het meest interessante te weten hoe een laserstraal werkt, maar wat je ermee kunt. Wetenschappelijk gezien hoeft een uitvinder niet vernieuwend te zijn, als hij dat in maatschappelijk opzicht maar wèl is. Ontwerpen vraagt een heel ander soort vaardigheid; een type vaardigheid waaraan op universiteiten nauwelijks aandacht wordt geschonken. Door die dominantie van de ontdekkerscultuur zijn de universiteiten geneigd zich af te sluiten voor datgene wat er in de samenleving leeft. Een ontdekker heeft de samenleving niet nodig, die zit bij wijze van spreken op zijn zolderkamer aan zijn doorbraken te werken; hij is het eenzame genie, dat desnoods pas na zijn dood de erkenning krijgt die hij verdient.

Daar is niets op tegen, eenzame genieën moet je zeker koesteren. Maar het is nog iets anders om het hele universitaire bestel daarop af te stemmen. De verhouding tussen ontdekker en uitvinder is te zeer scheef getrokken, vindt Snijders, de laatste krijgt niet de waardering die hem rechtmatig toekomt. Kloon Snijders is een groot voorstander van toelating van de samenleving tot de besloten ruimte van de universiteit. Dat gebeurt nu al door middel van het benoemen van buitengewoon hoogleraren; een ontwikkeling die hij toejuicht en die wat hera betreft nog wel krachtiger gestimuleerd mag worden. Hij is niet bang dat de intellectuele waarde van het hoogleraarschap zal dalen doordat zoveel meer mensen zich dan hoogleraar mogen noemen. "Onlangs had ik daar een discussie over met mijn promotor Hans Achterhuis, die filosofie van de techniek in Twente doceert. Daar adverteerden ze voor een buitengewoon hoogleraar, maar de eisen in de advertentie waren zodanig dat alleen iemand met een universitaire opleiding daaraan kon voldoen. 'Daarmee houd je mensen als Ruud Lubbers of Mient-fan Paber buiten de deur', zei ik. 'Maar ze moeten toch iets van filosofie afweten', zei hij. 'Daar ben jij toch toch voor', zei ik, 'jij moet studenten een grondige filosofie-opleiding geven, je hoeft voor een buitengewoon hoogleraar geen kloon van jezelf neer te zetten. Je moet daar iemand hebben die verstand heeft van de spanningen in de maatschappij.'" Uit protest leverden Piet Vroon en André Klukhuhn ooit hun doctorsbul weer in bij de universiteit, toen zij hoorden dat grootgrutter Albert Heijn een eredoctoraat kreeg. Door zo'n eredoctoraat zouden universiteiten hun wetenschappelijke reputatie definitief verkwanselen, meenden zij. Hendrik Snijders is het daar absoluut niet mee eens. Door een dergelijke daad geef je te kennen alleen academische kennis van waarde te vinden, meent hij. "Maar neem nu mijn co-promotor Harry Beckers die in Delft als buitengewoon hoogleraar managementtechnieken doceert. Beckers heeft fysica

gestudeerd, maar vervolgens met die opleiding niet meer zo veel gedaan. Wel heeft hij leiding gegeven aan een research-organisatie. Daar heeft hij ongelooflijk veel kennis opgedaan, maar daar nog nooit een boek over geschreven. Wetenschappelijk gezien bestaat hij dus niet. Als je de opvatting van Vroon en Kluckhuhn doortrekt mag Beckers geen hoogleraar zijn in Delft, terwijl ik weet dat hij meer verstand heeft van management dan welke wetenschapper in dit land ook. "Idem dito voor Albert Heijn. Je kunt constateren dat mede door Albert Heijn Nederland op logistiek gebied in vergelijking met andere landen iets extra's te bieden heeft. Dat is ook een vorm van kennisontwikkeling. Ik denk dat het heel goed is om die verdienste vanuit wetenschappelijke hoek te honoreren. Hij heeft een bijdrage geleverd waar menig wetenschapper nooit aan zal kunnen tippen. Voor Vroon en Kluckhuhn betekent zo'n eredoctoraat echter kennelijk een degradatie van de wetenschap. Daarmee doe je heel laatdunkend over mensen die uitvinder zijn, je bagatelliseert degenen die langs andere dan academische weg kennis verwerven. Wat je kennis noemt wordt ingeperkt tot de eigen subcultuur. "Ik heb er geen enkel bezwaar tegen om bijvoorbeeld Harry Mulisch tot buitengewoon hoogleraar te benoemen. Dat is de consequentie wanneer je zegt als universiteit meer naar buiten te willen treden. In Nijmegen is de choreograaf Hans van Manen buitengewoon hoogleraar geweest. Terecht naar mijn idee, want hoe kun je theaterwetenschappen studeren zonder les te hebben gehad van iemand die in de praktijk werkzaam is? Dat is onmogelijk. Het is niet zozeer de vraag: moet dat kunnen? Nee, ik vind het het pure noodzaak. Mensen als Hans van Manen, Jaap van Zweden en voor mijn part zelfs Herman Brood, ze horen aan een universiteit thuis."

Fotografie: Lenny Oosterwijk

Hendrik Snijders, 'Eendimensionale wetenschap - bespiegelingen over bruggen tussen berekenen en beschouwen'; proefschrift Universiteit T w e n t e , uitgegeven in eigen beheer.

wcs

MEI/JUNI 1997

47

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997

VU-Magazine | 434 Pagina's

VU Magazine 1997 - pagina 199

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997

VU-Magazine | 434 Pagina's