VU Magazine 1997 - pagina 182
De vraag die naar aanleiding van het kennisdebat kan rijzen is echter, of deze politieke koerswijziging wel op de goede gronden plaatsvindt, en hoe het hernieuwde inzicht precies zal worden uitgewerkt in stimuleringsmaatregelen en de toewijzing van financiële m-jddelen. Met andere woorden; welk soort kennis wordt plotseling van zoveel belang geacht dat zij van overheidswege stimulering zou verdienen, en waarom precies? Want wie verwachtingsvol rekent op onbaatzuchtige beleidsplannen ten faveure van de doorsnee onderwijsconsument, kon wel eens bedrogen uitkomen. Zo'n herwaardering van kennis en onderwijs lijkt mooi. Maar de politieke visie op de maatschappelijke rol van bijvoorbeeld universitair onderwijs en onderzoek, is in nog geen dertig jaar tijd ingrijpend veranderd. Lag de nadruk eind jaren zestig, begin zeventig, op de spreiding van kennis en, in het verlengde daarvan, op die van macht en inkomen, tegenwoordig is kennis in de ogen van de overheid van doel tot middel geworden, een instrument dat Nederland economisch en technologisch moet helpen opstoten in de vaart der volkeren. 'Kennis' moet dan ook vooral worden begrepen als eendimensionale, technische kennis, als praktisch toepasbare, kortom economisch exploitabele kennis. En het ligt in de lijn der verwachting dat de eisen en verlangens aan het adres van de onderwijsinstituten, die uit deze nadere invulling van het begrip kennis voortvloeien, in strijd zullen blijken te zijn met fundamentele vrijheden in het onderwijs, waaronder - zeker niet in de laatste plaats - de academische. "Op universiteiten is vandaag de dag alles mogelijk, je kunt het zo dwaas niet verzinnen of het gebeurt, daar zorgen de colleges van bestuur met hun strategische plannen en hun operationeel geraakte beleidsinstrumenten wel voor. En als die het een keer laten afweten, heb je nog altijd Zoetermeer, waar Ritzen, de heldhaftige minister, zetelt en zijn dienaren boven de borrelfles niet meer bijkomen van het lachen, wanneer ze elkaar voorlezen wat ze nu weer in zijn naam hebben bedacht..." Dergelijke vermoedens, zoals verwoord in dit wat absurdistisch getoonzette fragment uit Frans Kusters' bundel "s Avonds op het galgenveld' (onlangs verschenen bij De Bezige Bij), berusten op meer dan laakbare achterdocht. Dat mag bijvoorbeeld blijken uit het schot voor de boeg dat de Zoetermeerse onderwijsminister eind vorig jaar gaf. Wetenschappers die zelf bepalen wat ze willen onderzoeken, is een luxe die geen enkel land zich kan permitteren, riep Ritzen in het opinieweekblad Elsevier. Het gaat hier om belastingcenten, zo klonk het, en düs is het aan de politiek om doelstellingen en thema's van al het universitair te verrichten wetenschappelijk onderzoek te bepalen. Die oprisping kwam hem te staan op hoongelach van de academische wereld in het algemeen - 'de politiek' is er immers voor de algemene beleidslijnen en de financiële en overige randvoorwaarden, en goddank geroepen noch bij machte tot enige inhoudelijke vormgeving van wat ook - en op een furieuze reactie van de Vereniging van samenwerkende Nederlandse universiteiten (VSNU) en de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek (NWO).
30
wcs
MEI/JUNI
1997
vsNU-voorzitter pro/.dr R. Meijerink betoonde zich "verbijsterd". Hij verweet de minister met twee monden te spreken en aldus de moeizaam tot stand gekomen deal met de universiteiten, waarin deze toezegden zich nog meer dan vroeger op "maatschappelijk belangrijke thema's" te zullen richten, door dit populistische een-tweetje met de pers in gevaar te brengen. En Nwo-voorzitter dr R.J. van Duinen herinnerde eraan, dat bepalen wat zinvol wetenschappelijk onderzoek is en wat niet, en het naar bevind van zaken dienovereenkomstig verdelen van de beschikbare onderzoeksgelden, een taak is die volgens wettelijk geregelde afspraken toekomt aan de NWO. Als naast de groeiende invloed van een met de geldbuidel rammelend bedrijfsleven nu ook het ministerie zich rechtstreeks met de inhoud van het wetenschappelijke werk gaat bemoeien, komen de onafhankelijkheid van de onderzoeker en de objectiviteit van het universitaire onderzoek pas echt in gevaar, aldus een bitse Van Duinen. Wat belangeloos bedoeld was dient belangeloos te blijven, zei hij. Want dat is absolute voorwaarde voor het bieden van goede wetenschappelijke opleidingen en voor het verrichten van onderzoek waarvan "het 'nut' niet op korte termijn kan worden vertaald in economisch gewin". Lof der middelmaat Die aanval van de minister lijkt althans voorlopig afgeslagen. Maar de argumentatie die Ritzen aanvoert voor zijn onbezonnen voornemens geeft op nog een heel andere manier te denken. Het systeem op basis waarvan de onderzoeksgelden nu worden verdeeld, bevordert de middelmaat en heeft een wurgende uitwerking op de echte genieën, denkt de minister, blijkens een toelichtende uitspraak in het eind september '96 verschenen 'Wetenschapsbudget'. Het opkweken en tot wasdom brengen van echte genieën, daar moet het blijkbaar heen met het (universitair) onderwijs. Want echte genieën, die brengen straks geld in het laatje. De verstikkende middelmaat moet daarentegen zoveel mogelijk vermeden en bestreden worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
VU-Magazine | 434 Pagina's