VU Magazine 1997 - pagina 185
Niet zelden maakt van een dergelijke 'alliantie' tussen acade^ mie en bedrijfsleven ook de aanstelling van een bijzonder hoogleraar deel uit; het tweede aspect aan de commercialisering van de universiteit. Het aantal professoren dat bijvoorbeeld door het bedrijfsleven binnen de universiteiten geparachuteerd wordt om er in deeltijd op een speciaal daartoe gecreëerde, en door het desbetreffende bedrijf gefinancierde, leerstoel plaats te nemen, neemt onrustbarend toe. De Albert Heijn-leerstoel vakken-
vrijheid, omdat zij geen directe inmenging in de programmering van het universitaire onderzoek of onderwijs impliceert. Toch geldt ook hier dat de ene dienst de andere waard zal moeten zijn. En dat laat geen andere conclusie toe dan dat alle drie de varianten van commercialisering de zeggenschap van de universiteit over de inhoud van haar eigen onderzoek en onderwijs nog verder ondermijnen, hetgeen de academische autonomie allesbehalve ten goede komt. Tovenaarsleerlingen
Het tragische in de hele ontwikkeling is, dat dit deels onvrijwillige overspel van Athena, godin van de wetenschap, met -Mercurius, de Romeinse god der kooplieden, is mogelijk gemaakt door hemelbestormers uit de jaren zestig die, wars van geldelijk gewin maar met buitengewone bevlogenheid, massaal te hoop liepen tegen de idee-fixe van een waardevrije wetenschap. De wetenschap beoefenen louter en alleen omwille van de wetenschap was uit den boze; de universiteit diende gedemocratiseerd en omgevormd tot een bolwerk waar kennis werd vergaard om te kunnen worden ingezet in de strijd tegen de gevestigde orde.
vullen in Nijenrode is allesbehalve een unicum gebleken. Hier snijdt het mes aan twee kanten: de universiteit heeft er een gratis, trendy professor bij, en de onderneming poetst het eigen intellectuele imago wat op door te laten zien dat zij niet van de straat is. Maar voor beide partijen geldt dat de hele transactie weinig meer betekent dan window dressing op niveau. Een derde en laatste optie binnen de universitaire commercialisering is de wetenschapssponsoring. Deze weg die, anders dan in de sport en de kunst, tot nog toe in de wetenschap maar weinig is bewandeld, blijkt vooral in de Verenigde Staten in zwang en komt er op neer dat bedrijven, instellingen of vermogende particulieren monumentale universiteitspanden, bibliotheken of mogelijks zelfs hele vakgroepen of faculteiten adopteren en die als mecenassen in stand houden. Volgens voorstanders van deze vorm van externe financiering van de wetenschap, is deze optie eigenlijk nog het minst bedreigend voor de academische
Achteraf blijken deze revolutionaire studenten tovenaarsleerlingen te zijn geweest, wier streven naar vermaatschappelijking van de wetenschap uit de hand liep. Hun eis dat alle wetenschapsbeoefening 'maatschappelijk relevant' diende te zijn, kreeg naderhand een haast tegengestelde invulling. 'Maatschappelijk relevant' was niet langer wetenschap die in dienst stond van de maatschappijhervorming, maar veranderde in de loop van de jaren tachtig op cynische wijze in wetenschap die geacht wordt goed te zijn voor economie en welvaart. Een weg terug naar waardevrije wetenschap is er niet. Maar wellicht is het mogelijk een dam op te werpen tegen het verderfelijke utilitarisme dat toen aan de universiteit zijn entree maakte, door een zekere 're-elitarisering' in het universitaire onderwijs door te voeren. Zou het niet wenselijk zijn om, naast al die instellingen waar onder het valse predikaat 'universiteit' tegenwoordig beroepsopleidingen worden verzorgd en door derden betaalde onderzoeksprojecten verricht, een of enkele kleinschalige instituten te stichten, waar door en voor de werkelijk getalenteerden wetenschap omwille van de wetenschap wordt beoefend, met een kritisch oog naar de samenleving, maar verder vrij en ongebonden? De conservatoria en academies voor beeldende kunsten in ons land laten zien dat die gedachte minder absurd is dan zij op het eerste gezicht lijkt. Maar zelfs de realisering van zo'n alternatief kan de indruk met wegnemen dat onderwijs niet langer een recht is dat primair stoelt op de gedachte dat individuele ontwikkeling van talenten een zelfstandige, niet tot enig economisch doel te herleiden, waarde heeft. En kennis is allang niet meer het onvervreemdbare goed dat - net als licht en lucht - in principe van iedereen is en waarop dus niemand exclusieve rechten kan doen gelden. Er is één lichtpuntje in deze diepe duisternis: een ivoren toren is de universiteit beslist niet meer...
fotografie: Lenny Oosterwijk, m e t dank aan Rutger, Madeleine en Erik
wcs
MEI/JUNI
1997
33
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
VU-Magazine | 434 Pagina's