VU Magazine 1997 - pagina 328
humor los staat van economische welvaart. Achter het IJzeren Gordijn wemelde het van de moppen, zij het van een soort die we hier nauwelijks kennen, met politici als voornaamste doelwit." Zelf houdt Theo Meder zich onder meer bezig met het classificeren van vijf- a zeshonderd verhalen die de arts Cornelis Bakker uit Broek in Waterland rond 1900 op papier zette. Bakker noteerde herinneringen van zichzelf en zijn patiënten, waaronder talrijke moppen. Theo Meder tracht ze te doorgronden. "Er zitten moppen bij waarvan ik denk: waar gaan ze over? Waarom is dit leuk? Meestal kom ik er wel uit, hoor. Zo is er een mopje over ene Mina Kiuzeman die staat te strijken. Een ander personage. Dirk Haspels, belt aan. De meid laat hem binnen en laat hem antichambreren in een kamertje. Ze kondigt hem aan en dan zegt Mina Kruzeman: 'Zodra ik mijn broek heb afgestreken, mag hij binnenkomen.' "Daar snapte ik dus niks van. De eerste vraag die ik me stelde was; wat waren de betekenissen van 'afstrijken' in de negentiende eeuw? Dan blijkt dat het ook 'laten afzakken' betekent. Dus er staat: ik laat mijn broek afzakken en dan mag die man binnenkomen. Maar dan zijn we er nog niet. Want wat hadden Kruzeman en Haspels met elkaar gemeen? Wat waren het voor mensen? Mina Kruzeman, zo blijkt uit biografische woordenboeken, was redelijk bekend: ze was een kunste-
32
wcs
SEPTEMBER/OKTOBER
1997
nares die schreef en acteerde, een feministisch en pacifistisch type. "Naar die Haspels heb ik me te pletter gezocht. Op een dag sla ik, op zoek naar iets heel anders, een boek over toneelkunst open. Opeens zie ik ze staan: Kruzeman en Haspels ~ boem! Haspels bleek een Rotterdams acteur te zijn. Kenden hij en Kruzeman elkaar? Jawel: Kruzeman was een vriendin van Eduard Douwes Dekker, beter bekend als Multatuli. Toen hij 'Vorstenschool' schreef, was het de bedoeling dat Kruzeman de hoofdrol ging spelen. En Haspels had de andere hoofdrol. Hij was de koning, zij de koningin, dus ze hebben samen op de planken gestaan. Achter het mopje schuilt dus het cliché-beeld van de linkse, promiscue, losbandige artiesten. Dat beeld wordt met deze grap krachtig bevestigd." Met de verzameling van Van Overbeke behoort de collectie-Bakker tot een van de weinige bronnen van mondeling overgeleverde humoristische verhalen in ons land. Die bronnenschaarste is een obstakel waar ook antropologe Giselinde Kuipers tegenaan loopt. "De media waarop moppen worden vastgelegd, zoals boekjes en pamfletten, worden nauwelijks bewaard", zegt ze. "En als we alleen op die bronnen zouden afgaan, krijgen we ook een vertekend beeld. Want de moppen die in een boekje terechtkomen, zijn dikwijls niet de moppen die mensen daadwerkelijk aan elkaar vertellen." Ook Theo Meder is zich daarvan terdege bewust, maar denkt dat Cornelis Bakker weinig censuur pleegde. "Soms schrijft hij: 'Dit is een erg vieze mop, deze moet u me maar niet kwalijk nemen'. Vooral uit zijn Leidse studententijd heeft hij heel wat pittige moppen overgehouden; moppen over seks dus, maar wel alleen tussen mannen en vrouwen. Homoseksualiteit, bestialiteit en incest zijn niet aan de orde,dat was kennelijk té erg. Grappen over
geslachtsziekten, overspel en hoererij waren wel geoorloofd." Een ander populair grapthema dat Meder oppikte uit de tijd van Bakker maar in feite van alle tijden is, is domheid. De arme seizoenarbeiders ('Poepen') uit Westfalen en Ost-Friesland die in de zomer naar Holland kwamen om op het land te werken, waren het doelwit van grappen die we tegenwoordig voor Belgen en domme blondjes reserveren. Een categorie grappen die in onbruik is geraakt, schaart Meder onder de benaming 'sociale onwelvoeglijkheden': de poep-, pies- en fluimgrappen. "Dat genre is inmiddels afgezakt naar de kinderkamer", aldus de volkskundige. "Voor volwassenen is het onderwerp niet gevoelig genoeg om er grappen over te maken. De angel is eruit." Hetzelfde geldt voor religieuze moppen. In het rond 1900 bijna volkomen protestantse Broek in Waterland waren de katholieken met hun celibaat, hun heiligenverering en kerklatijn nog het mikpunt van spot. Tegenwoordig valt daarmee voor een moppentapper nauwelijks nog eer te behalen. In zekere zin vormen Belgen- en dommeblondjesmoppen een bijzondere categorie. Het superioriteitsgevoel dat ervan afstraalt heeft een goedmoedig karakter. Bij veel andere moppen, inclusief de superioriteitsgrappen die bijvoorbeeld Turken en Surinamers betreffen, is er volgens Giselinde Kuipers sprake van een vermeend probleem dat de moppen genereert. Wie zich bedreigd voelt door buitenlanders, feministen, schoonmoeders, vliegrampen en enge ziekten maakt ze tot doelwit van een verbale schietpartij. In Bakkers tijd hoorden katholieken in het rijtje thuis en was incest taboe; tegenwoordig doen incestgrappen het goed en worden er bijvoorbeeld (nog) geen junk-moppen verteld.
Punchline
Terwijl de inhoud van moppen eindeloos kan variëren, staat de vorm behoorlijk vast. Een mop is een grap in zijn meest gestandaardiseerde vorm. Historicus Rudolf Dekker: "In de Middeleeuwen wist iedereen welke grap hij op een bepaald moment het beste kon maken. Iedereen wist ook hoe hij de grap van een ander moest opvatten. In het
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
VU-Magazine | 434 Pagina's