VU Magazine 1997 - pagina 198
artikelen in 'populaire' tijdschriften niet meegeteld als wetenschappelijke publicatie,- terwijl zo'n voor een breed publiek toegankelijk verhaal eigenlijk veel belangrijker is dan een artikel dat alleen bestemd is voor vakgenoten, vindt Snijders. Men slaat bovendien te gemakkelijk aan het rekenen, zonder er bij stil te staan wat de eigen statistieken nog te maken hebben met maatschappelijke problemen. Net zoals er trouwens in meer beschouwende vormen van wetenschap een afkeer bestaat van iedere vorm van methodologie. Het grote probleem is dat het zeer moeilijk lijkt om kwalitatieve en kwantitatieve benaderingen in de praktijk met elkaar te combineren. Ze zijn allebei belangrijk, maar Snijders constateert dat tegenwoordig de rekenaars aan de winnende hand lijken. Het is het probleenr van de 'twee culturen', zoals dat ooit door de Brit C.P. .Snow benoemd iS; een alfacultuur waarin grote, speculatieve beschouwingen gangbaar zijn en men een afkeer heeft van grafiek en statistiek, en een bèta-cultuur waarin driftig gecijferd wordt, maar waar verder niet zo wordt nagedacht over de vraag wat we met al die getalletjes aanmoeten. Die scheidslijn tussen berekening en beschouwing, zo poneert Snijders, loopt tegenwoordig niet alleen tussen alfa- en bèta-disciplines, maar ze lopen zelfs dwars door de disciplines heen: zo zijn er rekenende en beschouwende economen. De afrasteringen zijn nu ook al aangebracht tussen de verschillende subculturen binnen een discipline. Samenwerking wordt niet zo op prijs gesteld; liever negeert men elkaar. Men regeert binnen de grenzen van het eigen kleine territorium. Bezoek van buitenaf is niet welkom, en zelf een bezoek brengen aan de buurman zit er evenmin in.
Een minstens zo groot probleem is in de ogen van Snijders de kloof tussen kennen en kunnen. Universiteiten zijn sterk gericht op het produceren van kennis, zonder zich altijd af te vragen waar die kennis toe dient. Dat levert een kloof op die volgens Snijders typerend is voor de westerse samenleving. Het Westen is sterk georiënteerd op waarheid, op het willen weten hoe iets in elkaar zit en
46
WCS MEl/jUNl 1997
functioneert. Men wil weten hoe de aarde ontstaan is, hoe de natuurwetten luiden en hoe je economische modellen kunt formuleren. In Azië is dat anders. Daar is men veel minder geïnteresseerd in het pure kennen dan in het kunnen. Ze vinden kennis van de natuurwetten ook wel interessant, maar dan vooral om met behulp van die kennis producten te vervaardigen. De houding in het Oosten is: het hoeft niet per se waar te zijn, als het maar werkt. Kennis is pas zinvol wanneer een mens er in de praktijk de vruchten van plukt. Je moet er iets aan hebben. Een mooi voorbeeld van het verschil tussen Oost en West is fuzzy-logic; een methodiek die vooral in meet- en regelsystemen toepassing vindt. De fuzzycomputer wordt, evenals de zintuiglijke waarnemingen van de mens, gevoed door onnauwkeurige waarnemingen. Dat kan bijvoorbeeld de waarneming zijn dat een persoon 'lang' is, in plaats van zijn exacte lengte in aantal centimeters vast te stellen. Fuzzy-logic werd in de Verenigde Staten ontdekt, maar vond in Japan veel weerklank. Een compleet metro-net is daar op fuzzy-logic gebaseerd, met als gevolg dat treinen soepeler remmen en minder energie gebruiken. Die terughoudendheid van het Westen heeft te maken met het feit dat fuzzylogic gebaseerd is op vage beginselen. Daar houden westerse onderzoekers doorgaans niet van. Die willen precieze cijfers hebben, kloppende berekeningen. Zij hebben behoefte aan exactheid. Westerse onderzoekers vragen zich af hoe zoiets als fuzzy-logic kan bestaan, en of het eigenlijk wel waar is. Hier geldt eigenlijk hetzelfde als wat eerder voor de quantummechanica en de chaos-theorie gold; ook twee wetenschappelijke theorieën die spotten met de behoefte aan exactheid en voorspelbaarheid, waaraan in het Westen van oudsher zo sterk wordt gehecht. Dat soort gedachtegoed ontregelt het waarheidsverlangen van de westerse wetenschap. Niet zonder veel moeite raken zulke theorieën daar dan ook geaccepteerd. Japanse onderzoekers zijn veel minder geïnteresseerd in het waarheidsgehalte
van een chaos-theorie of fuzzy-logic, ze redeneren vanuit de praktijk. Ze onderzoeken op welke wijze zij er hun voordeel mee kunnen doen. Ze gaan aan de haal met een westerse ontdekking en bouwen in een aantal opzichten een voorsprong op. En als het in de praktijk blijkt te werken, kunnen westerse onderzoekers en technologen hun eigen ontdekking zelf ook niet meer negeren. Zo komt fuzzy-logic via een omweg weer terug in het Westen. Nu pas begint men hier ook gebruik te maken van dit soort nieuwe technieken. Niet dat Hendrik Snijders vindt dat het Westen die oriëntatie op de praktijk helemaal moet overnemen, maar je kunt er wel wat van leren, vindt hij. "In het Westen willen wij het naadje van de kous weten en die eigenschap kan ertoe bijgedragen hebben dat hier een wetenschappelijke revolutie ontketend is en in het Oosten niet. Maar daarom hoef je nog niet laatdunkend te doen over de prestaties in Japan of in China. Wij zijn hier erg gefixeerd op wetenschappelijke ontdekkingen, op het winnen van een Nobelprijs. Japanners doen daar meewarig over: wat heb je nu eigenlijk aan een Nobelprijs? Dat is een heel ander soort houding, en iets daarvan zouden wij hier wel mogen overnemen." Laserstraal In het Westen leven we in een ontdekkerscultuur, constateert Hendrik Snijders. En de organisatie van de wetenschap versterkt die cultuur. We hechten meer waarde aan promoveren dan aan goed onderwijs geven; en het grensverleggende, fundamentele onderzoek staat in hoger aanzien dan het toegepaste onderzoek. "Toen ik in Groningen natuurkunde studeerde, bestond er ook een vak 'technische natuurkunde'. Het aanzien daarvan was destijds niet erg hoog. Daar werd toch een tikje neerbuigend over gedaan." Er is niets tegen ontdekkingen en ontdekkers, vindt Hendrik Snijders, alleen zijn er niet zoveel van nodig. Het is prachtig om de nieuwe Darwin of de nieuwe Einstein te willen opleiden, en de voorwaarden om zulke mensen de kans te geven hun talenten te ontwikke-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997
VU-Magazine | 434 Pagina's