Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1997 - pagina 243

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1997 - pagina 243

4 minuten leestijd

grootvader leden, als gevolg van hun werk in de mijnen, aan silicose. Wie, zoals zij, na een ondergronds verblijf opgelucht, maar snakkend naar adem, het bovenaardse licht begroet, moet zijn sterfelijkheid op de koop toe nemen. Dat klinkt als filosofie. Maar dat gaat Kusters te ver. Want dichters zijn geen wijsgeren, waarschuwt hij in 'Ik graaf, jij graaft', zijn m 1995 verschenen bundel aantekeningen over poëzie. Die waarschuwing is een reactie op de neiging van vooral Duitse poëzie-uitleggers om in het werk van de grote Duitse dichter Paul Celan naar een wijsgerig stelsel op zoek te gaan. Tegelijkertijd echter heeft Kusters, bij herhaling en op verschillende plekken in zijn wetenschappelijke en essayistische werk, gesteld dat poëzie een meeslepende metafoor is voor het menselijk verlangen naar "een aardse metafysica". Is dat niet ook een verkapte vorm van filosofie? Kusters: "Dichters zijn geen wijsgeren in die zin, dat het niet hun taak is wijsgerige systemen te construeren. Een dichter geeft geen antwoord op de vraag hoe de wereld in elkaar zit. Dat doen de meeste filosofen trouwens ook al lang niet meer. Men moet van Celan geen dichterlijke Heidegger maken. Dichters staan veel dichter bij de aardse alledaagsheid, de stoffelijke wereld om ons heen; dat bedoel ik met die aardse metafysica. En dat moet je heel letterlijk opvatten. Dichters zijn, meer dan in het dagelijks taalgebruik gangbaar is, vooral bezig met de stoffelijkheid van de taal, met taal als materie. "Alledaagse taal is een instrument met behulp waarvan je over dagelijkse dingen praat. Die dingen zelf zijn in de taal niet aanwezig. Vergeleken met die huis-, tuin- en keukentaai èn de abstracte taal van wetenschap en filosofie, is poëzie de taal van het aardse, het heel concrete. Daardoor krijgen van de weeromstuit ook de woorden zelf hun stoffelijkheid, hun substantiële karakter terug. Ze worden, anders gezegd, materie. Als dichters al een taak hebben, want die hebben ze welbeschouwd natuurlijk niet, dan moet je die in deze richting zoeken."

zingwekkends te ontdekken. En taal is de grond van dat alles; aards dus." Taal is ook de grond van zoiets bovenzinnelijks als religie. "Dat is juist. 'Het geloof is uit het gehoor', zegt men. Misschien is dankzij mijn omgang met poëzie en taal juist daardoor een zekere religieuze gevoeligheid in mij wakker gebleven. Maar dat wil uiteraard niet zeggen dat mijn gedichten religieus zijn." De poëzie heeft u behoed voor onverschilligheid? "Behoed voor een eendimensionaal denken over de wereld en de dingen. Nou had ik daar toch al niet zo'n last van, want ik ben me van jongs af aan steeds bewust geweest van het onderaardse als extra dimensie. Dat ondergrondse, die mijnen, vorraden voor mij als kind al een andere wereld, in de letterlijke betekenis van het woord, die je kon waarnemen door te luisteren, met een oor aan de grond. In eerste instantie had dat uiteraard te maken met het werk ondergronds van mijn vader en grootvader. Maar langzamerhand kreeg dat ook een andere, een diepere betekenis. Ik werd mij ervan bewust dat de grond waarop wij staan al een verdieping is." Wij moeten maar liever niet rekenen op iets mooiers of beters daarboven, want, schreef u ergens, "er is zoveel te beklimmen hieronder". Dat 'hieronder' maakt zo'n zin knap dubbelzinnig. "Het besef dat zo'n onderwereld er is maakt, dat bij alles wat er mogelijk op ons bovengronds bestaan valt aan te merken, je toch niet kunt volhouden dat dit hier het absolute minpunt is." De mens als een koorddanser die tussen hemel en onderaardse z'n evenwicht tracht te bewaren. "Dat zoeken naar balans, dat leven in een permanente staat van verwondering, dat is nu precies wat ik bedoel met aardse metafysica." fotografie: Lenny Oosterwijk

Gaat daar nok een taalzuiverende werking vanuitl "Misschien eerder het omgekeerde. Door taal te zuiveren maak je haar alleen maar abstracter." Ik bedoel juist het tegenovergestelde. Een dichter springt onconventioneel met de woorden om-, laat hun dubbelzinnigheden en mysteries zien. Hij knijpt er eens in en loopt er omheen om te zien wat erachter steekt. "Dat is inderdaad wèl wat ik bedoel. Een dichter knijpt in de woorden om te horen hoe ze giechelen. Hij wil het wonderbaarlijke en het onbegrijpelijke van het verschijnsel taal overeind houden. Als je dat zuiveren wilt noemen, accoord. Wij bestaan dankzij de taal. En een dichter is verbaasd en ontroerd door de manier waarop taal door ons heen trekt." Maar wat is nu het 'aards metafysische' van dit alles' "Ik plaats het aardse tegenover de metafysica van het bovenzinnelijke en religieuze die zo ongrijpbaar en complex zijn. Er is hier, in de stoffelijke werkelijkheid nog zoveel nieuws en verba-

wcs

JULI/AUGUSTUS

!997

19

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997

VU-Magazine | 434 Pagina's

VU Magazine 1997 - pagina 243

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1997

VU-Magazine | 434 Pagina's