VU Magazine 1998 - pagina 285
bij naam bekend, te eischen dat zij de souvereiniteit onzes konings erkennen". Ook meende Esser dat voortzetting van de Atjeh-oorlog (het begin drie jaar tevoren was zijns inziens onrechtvaardig) een alsnog een te rechtvaardigen doel moest dienen en dat dit in verhouding diende te staan tot de offers aan mensenlevens en geld, "waarbij niet eenzijdig moet worden gelet op de offers die van ons geeischt worden, maar meer nog op het lijden dat wij veroorzaken." Maar los daarvan bleef Esser beducht dat Nederland "op eenen gansch verkeerden weg" was geraakt, "en dat het ons ten slotte ging, zoals Spanje in den tachtigjarigen oorlog. Ik vrees er ter dege voor." De dan 58-jarige Isaac Esser, oud-resident van Timor, behoorde twee jaar later samen met Abraham Kuyper tot de oprichters van de A.R. Partij, Kuyper zelf zou maart 1879 in 'Ons Program' gewagen van "overhaaste vredebreuk", "onevenredig geweld" en "rechtskrenking in moreelen zin", wanneer hij het over de dan al zes jaar voortwoedende Atjeh-oorlog had. Dat Nederland toen al in opspraak raakte, bleek uit Kuypers klacht dat door de Atjeh-oorlog "onze naam" geleden heeft. Het zou interessant zijn te weten wie het waagde Nederland toen al in het schandblok te zetten en vooral; waarom. In ieder geval werd Nederland beschuldigd van iets wat kennelijk niet deugde - naar de maatstaven van toen. Op zijn beurt liet Kuyper niet na het vingertje te heffen wanneer hem dat zo uitkwam. In februari 1900 schreef hij bijvoorbeeld een woedend artikel in het Franse blad Revue des Deux Mondes over 'De crisis in Zuid-Afrika' tegen Engeland. Om de aanval op Transvaal te rechtvaardigen hadden de Britten de vinger opgestoken tegen de wrede blanke Boeren van Hollandse komaf. De Britten pleegden volgens Kuyper zelf massamoorden op zwarten in Zuid-Afrika, ze gebruikten lydiettbommen in de veroveringskrijg in Soedan en officieren van Britse komaf hadden in pokkensmetstof gedrenkte dekens uitgereikt aan Indianen om het uitsterven van dit ras te bespoedig. Kortom, voor de onderzoeker naar de morele maatstaven van toen leverde Kuyper bij de eeuwwisseling een leerzaam geschrift. De jonge koningin Wilhelmina (19) was zeer ingenomen met Kuypers werkstuk en zij liet hem dit onder vier ogen weten op audiëntie in het Dampaleis, waar de schrijver verscheen als voorzitter van de Nederlandse Journalistenkring. Nog diezelfde dag stonden haar woorden in de krant. "Kuyper had het voortaan bij haar verkorven", onthult Passeui in zijn pas verschenen Wilhelmina-biografle. (pag. 340). Het jaar daarop werd Kuyper minister-president. In 1879 droomde hij nog in 'Ons Program' over de archipel: "Niet vreezen, maar welkom heeten en zegenen,- en dies ontzien; moet men de verschijning van Neerlands vlag op deze eilanden. Eerst dan zijn we tegenover God en menschen verantwoord." Maar na het aantreden in 1901 van zijn kabinet, maakte hij
een klein voorbehoud toen generaal Van Heutz krachtdadig de uitvoering ter hand nam van wat aangeduid werd als de 'ethische politiek'. De methode-Van Heutz betekende evenwel niet, zei Kuyper tot de Kamer "dat met dit stelsel niet gepaard zouden kunnen gaan enkele wreedheden of excessen. Bij een worsteling, als waarvoor wij hier staan, vinden allicht enkele excessen plaats, maar die excessen zijn niet het stelsel." Pacificatie
De rest van de eeuw wisten de vaderlandse historici waaraan ze zich bij overheidsopdrachten hadden te houden, wilden zij zich geen problemen op de hals halen. De historicus Fasseur kan daarover meepraten toen hij in 1969 in opdracht van het kabinet De Jong in enkele maanden haastig het materiaal moest bijeenharken voor een nota die de PR-titel 'Excessennota' zou krijgen. De ervaringen van Lou de Jong met de beschrijving van Nederlands koloniale verleden liggen vast in het leerzame deel 14 van 'Het Koninkrijk'. Dat koningin Beatrix de juiste woorden niet wist te vinden toen ze in 1995 een staatsbezoek aan Indonesië bracht is niet verwonderlijk. Weinig onderwerpen maken zoveel emoties los als Nederlands koloniale verleden. Ondoorgrondelijk keek Soehaito aan het banket voor zich uit toen Beatrix in herinnering bracht dat de vestiging van een effectief gezag in
Van Heutz en zijn adjudant Colijn in Nederland, 1904
wcs
JULI/AUGUSTUS
1998
53
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998
VU-Magazine | 492 Pagina's