Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1998 - pagina 296

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1998 - pagina 296

5 minuten leestijd

bestaan. Julien zelf hangt - met enig voorbehoud - de theorie van de isolaten aan; groepen mensen die gedurende lange tijd geïsoleerd leven en zich noodzakelijkerwijs in kleine kring voortplanten en die vanwege hun isolering slechts een beperkt aantal erffactoren hebben, kunnen zich tot de dwergvorm ontwikkelen. Pygmeeën zijn nomadische bosvolken die steeds op andere plekken maar altijd diep in het bos hun kampementen van bladerhutten opslaan. Er zijn ook stammen die genoegen nemen met een uit bladeren opgetrokken regenscherm dat aan alle kanten open is. Vaak waren de pygmeeënkampen voor }ulien en zijn

dragers daardoor slechts met grote moeite vindbaar in de haast ondoordringbare bossen. Bovendien kon zo'n kamp van de ene op de andere dag verlaten worden en elders weer opgebouwd. Geroosterde termiet Over een van deze kampementen, die hij na een lange en moeizame voettocht gevonden heeft, schrijft Julien: "Hier temidden van moerassig oerwoud, dat na de ijswildernissen van het poolgebied zeker het gevaarlijkste en mens-

64

wcs

JULI/AUGUSTUS

1998

vijandigste milieu is dat de aarde kent, huist dit handjevol wilden in een angstwekkende eenzaaraheid." Tot ver in het midden van de twintigste eeuw hebben de pygmeeën hun nomadische leven als jagers en verzamelaars voortgezet. Aan landbouw of veeteelt deden zij niet. Om eten te verzamelen moest men elke dag opnieuw het woud in. De vrouwen hadden de taak om voor het kamp, voor de voedselbereiding en voor water te zorgen. Ook het vergaren van brandhout - een zware opgave in een altijd vochtig bos - behoorde tot de verantwoordelijkheid van de vrouwen. De mannen gingen op jacht en kwamen als ze geluk hadden thuis met een wild zwijn, een antilope, een aap of een enkele keer een bosolifant. Daarnaast werden er veel insecten gegeten. Julien beschrijft hoe hij zich op een dag min of meer gedwongen voelt een lekkernij in de vorm van geroosterde rups tot zich te nemen. "Voor iemand die de aard van het product niet kent en tijdens het proeven erin slaagt allerlei vermoedens over herkomst en bereiding energiek te onderdrukken, zijn ze misschien eetbaar te noemen", aldus de antropoloog, die er aan toevoegt dat dergelijk voedsel ongetwijfeld gezond is, want rijk aan vetten en eiwitten. Daarnaast vormden termieten een populair bosproduct. De termietenheuvels in de buurt van pygmeeënkampen waren elk 'eigendom' van bepaalde families, die de metershoge bulten nauwlettend in de gaten hielden. Als de tijd daar was en de termieten uitzwermden, waren zij er als de kippen bij. Zodra de diertjes begonnen uit te vliegen, sloegen de pygmeeënvrouwen hun slag en vulden hun manden raet handenvol tegelijk. "Het was een indrukwekkend gezicht de duizenden en duizenden insecten zich als een dichte rookwolk van de flanken van de heuvel te zien verheffen", aldus Julien. Natuurlijk kreeg hij de volgende dag een mand geroosterde termieten aangeboden, een "roodbruin produkt" met een "hoogst merkwaardige geur", dat door de pygmeeën als een delicatesse werd beschouwd. Lastiger dan het vangen van insecten

was de jacht op zoogdieren, die door de pygmeeënmannen met weinig andere wapens dan een lans werd uitgevoerd. Vooral bij de olifantenjacht vielen nogal eens slachtoffers onder de jagers. Een olifant moest gedood worden met een korte lanssteek in de buik of door met diezelfde lans razendsnel de pezen van het dier door te snijden. Omdat veel pygmeeëngroepen in een zekere afhankelijkheidsrelatie leefden ten opzichte van de negers uit naburige dorpen, moest de buit van iedere jacht worden gemeld. In veel gevallen dienden de pygmeeën een belangrijk deel van de buit aan de negers af te dragen veelal in ruil voor zout, tabak of bananenbier. Julien beschrijft hoe de pygmeeën na het doden van een olifant werden afgescheept met niet veel meer dan de ingewanden van het beest, terwijl de negers zich over het betere deel van het kadaver ontfermden. De pygmeeënvrouwen droegen de zware manden vol "van insectenlarven wrienrelende ingewanden" op hun hoofd naar het kamp. "Omzwermd door een veelkleurige insectenwolk gingen ze wankelend onder het zware gewicht van hun weke, schommelende last op pad, een spoor van stank achterlatende dat in de wijde omtrek in de windstille lucht van het bos bemerkbaar bleef."

Oeropenbaring In religieus opzicht vertonen de vaak ver uiteenliggende pygmeeënstammen opvallende overeenkomsten. Bij alle stammen werd zoiets als een monotheïstisch godsidee aangetroffen. 'Daarboven' huist een opperwezen, Nsarabe of Nkomba genaamd, door wie alles geschapen is, en naar wie de ziel van de mens na de dood terugkeert. Paul Julien heeft veel aandacht besteed aan het achterhalen van de religieuze voorstellingen van de verschillende pygmeeëngroepen. "Na dagen vol zware arbeid in de hete savanne, in de klamme modderige bossen wijdde ik vele lange avonden aan de studie van de geestescultuur van mijn bruine vrienden en dan kon het gebeuren dat ik ineens de tropische modder, de grauwe monotonie der wildernis en de koortsige ellende van

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's

VU Magazine 1998 - pagina 296

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's