Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1998 - pagina 148

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1998 - pagina 148

4 minuten leestijd

POËTICA

De oude garde van de Nederlandse poëzie kwam eind 'c)j met nieuwe bundels. Op zoek naar de overeenkomsten in thematiek: hoe van de nood een deugd te makenl

Prettig bedrukt

"Wie eens door het spleen bezocht werd", schreef ooit Van Schendel, "kent die ledigheid (van hart)". Spleen, zegt Van Dale's woordenboek Winkler Prins' encyclopedie na, is de halfironische benaming voor een licht depressieve gemoedsgesteldheid waarin men met zichzelf niet goed raad weet. Die gesteldheid zetelt allang niet meer in de milt - orgaan waaraan het zijn naam ontleent - maar, zoals alle gemoedstoestanden, in het hoofd. Goethe vroeg er ruim tweehonderd jaar geleden patent op aan. Zijn succesroman 'Die Leiden des jungen Werthers' markeert sindsdien het begm van de Romantiek. En nadat Piet Paaltjens zo'n honderd jaar na die van Werther zijn 'Snikken en Grimlachjes' wereldkundig had gemaakt, geldt het ook in ons taalgebied als een aandoening waaraan met name dichters lijden. Dichters die het spleen hebben, balanceren op het dunne koord dat zij voor zichzelf hebben gespannen tussen vals sentiment en pure wanhoop. En dat is nog een hele kunst. Paaltjens bijvoorbeeld, helde in zijn poëzie teveel over naar het sentimentele en kon (daardoor?) de drang tot zelfvernietiging van zijn alter ego, dominee Fiangois Haverschmidt, niet stoppen. Die had van spleen dus eigenlijk niet veel begrepen. Spleen is een uitkomst bij cultuurschokken en overgangssituaties, zoals een fin de siècle; episodes waarin plotsklaps niets meer waar is en dus alles. Tussen de roep om touw of scheermes, en (keerzijde van dezelfde medaille) desperate overgave aan Oibibio of andere enge sekte, biedt het een elegante vluchtweg. Berusting is het niet, maar het komt qua resultaat aardig m de buurt. De situatie is hopeloos, maar het geeft niet. En het levert beslist fraaie verzen op. Prettig bedrukt voelt zich de dichter met spleen; wat wil hij nog meer? "Vijftig voorbij. Dus was ik een mooi vuur, / mijn vlammen doofden al. Zo is het ook". Op die manier geeft Anton Korteweg in zijn jongste bundel 'In handen' lucht aan zijn hoogstpersoonlijke spleen. In het volgende gedicht doet hij datzelfde aldus: "Ik ben mijn aantrekkelijkheid kwijt / maar altijd nog schrijf ik gedichten." In 'In handen' geeft een schaamteloos egocentrische, zelf-

72

wcs

MAART/APRIL

1998

bevlekkende vijftiger (Korteweg is van 1944) zich bloot, die hevig is verwikkeld in een obsessionele midlife-crisis. Driekwart van de bundel getuigt daarvan, zoals ook het kwatrijn 'Nog een geluk': "Ach alle vrouwen van mijn leeftijd worden ouder, / daar helpt geen l'Oreal of Oil of Olaz aan. / Ik heb, nog een geluk, in noodgevallen / het vroeger al graag met mezelf gedaan." Zo probeert Korteweg van de nood een deugd te maken; het geheim van spleen. Maar het resultaat is hier haast net zo flauw als het woordspelige "Hij is al weer lang van haar af. / Moet ooit dus haar hebben beklommen." Korteweg zeurt. En dat staat hem niet. Hij bekleedt de mooiste functie die er in ons land valt te vergeven - hij is directeur van het Letterkundig Museum in Den Haag - en hij hééft het talent om, mét het spleen in zijn knoken, de prachtigste gedichten te schrijven. Zoals: Bestond ik uit taal niet, ik moest me niet denken. Taal is een ziekte, kondigt de dood aan. EI valt niets te stoeien. Men worstelt vergeefs. Gezonden zijn, hoeven niet zich te schrijven. Praten niet eens met zichzelf. Ze zijn als wie langs het strand, dat is leeg en van hen, rent. Zwijgende zee-, een hemel die dicht is. Pratende mond niet. Geen denkend hoofd. Er rent maar een lichaam van henen. Naast de 'nieuwe Korteweg' (zijn zevende) verschenen eind 1997 ook nieuwe bundels van andere oudgedienden: Remco Campert, Rutger Kopland en Willem van Toorn. Opvallend is dat Korteweg, ondanks zijn oudemannetjespraat veruit de jongste in dit rijtje is. De andere drie zijn inmiddels brave grootvaders en de zestig ruimschoots gepasseerd. Het maakt ze milder (misschien heeft dit te maken met het feit dat hun bundels worden bevolkt door moeders en kleinkinderen). Maar het spleen is onverminderd - misschiens zelfs in verhevigde mate - in hun poëzie aanwezig.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's

VU Magazine 1998 - pagina 148

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's