Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1998 - pagina 214

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1998 - pagina 214

3 minuten leestijd

De gedachte dat er maar een visie op de historische werkelijkheid de ware kan zijn is onhoudbaar. Net als nu was die werkelijkheid een chaos van gebeurtenissen. De historicus verleent daaraan betekenis. Dat dit geen eenduidig beeld oplevert is niet erg, vindt Jo Tollebeek, historicus en vurig pleitbezorger van een postmodern historisch besef.

Zintuiglijke manifestaties van hetverleden Henk Maassen en Paul Ophey

Het grootste verschil tussen Belgische en Nederlandse historici is hun manier van onderzoeken. Nederlanders gaan probleemgerichter te werk. Een Nederlands historicus zoekt naar materiaal dat antwoord kan geven op zijn vraag. E.H. Kossmanns werk is daar een goed voorbeeld van: hoe komt het dat in de Nederlandse samenleving van de negentiende eeuw het liberalisme zo sterk was? Een Belgisch historicus werkt daarentegen vaak vanuit het bronnenmateriaal. Hij sluit zich eerst maandenlang op in een archief, bouwt een enorme eruditie op en al lezende komt er een vraagstelling bij hem boven. De Leuvense historicus fo Tollebeek (i960) verkiest de Belgische methode: "Je ziet het verschil ook aan het resultaat: een Nederlands artikel is vaak een soort opstel, een betoog dat van A naar z gaat. Een Belgisch artikel is associatiever en biedt vaak een overdaad aan gegevens: het is een studie. De Angelsaksische klaarheid van het Nederlandse opstel is charmant, maar voor Belgen heeft dat ook iets afgestroopts. Zij missen die overdaad, die natuurlijk een Franse traditie is."

62

wcs

MEI/JUNI

1998

Tollebeek denkt dat een historicus in het algemeen een zekere mildheid jegens het verleden moet betrachten. Ironie - "serieuze, niet gespeelde" - is beter dan cynisme. Als voorbeeld noemt hij de wereld van de jaren zestig die tegenwoordig al als historisch wordt ervaren. In de jaren zeventig beschreef men die periode nog als een histoire present. Nu kun je haar zien als een afgesloten periode waarvan alles wat had kunnen gebeuren, uiteindelijk is doodgebloed. Het is een goede eigenschap van de historicus dat hij daar de ironie van kan inzien. Hij noemt zichzelf vooral een theoretisch historicus. Hij is niet alleen geïnteresseerd in geschiedenis, maar ook in de manier waarop het vak door zijn vakbroeders wordt beoefend, Hij kan bijvoorbeeld oprecht wanhopen over de manier waarop economisch historici met hun gegevens omgaan. Door al het jargon - "zelfs als je echt je best doet, is hun werk moeilijk te doorgronden" slagen zij er bijna niet meer in om de antwoorden op hun vragen te brengen op het niveau van een meer algemene geschiedenis. Dat geldt, vindt hij, zelfs

voor de groten in het vak, zoals fan Luiten van Zanden. Er ontstaat een probleem, meent Tollebeek, als men in de historische praktijk niet luistert naar wat de theoretici te zeggen hebben. Maar het is evenzeer problematisch als in kringen van theoretici geen zuurstof meer van buiten komt. Dat nu was de toestand in de jaren tachtig. In de jaren negentig is dat veranderd. De theoretische geschiedenis, zowel in België als Nederland, schrijft niet langer voor hoe het vak van historicus bedreven moet worden en wat een goede verklaring van historische verschijnselen is. Ze is zich meer gaan bezighouden met de wijze waarop historici in het verleden hebben gewerkt. De theoretische geschiedenis werd gehistoriseerd. Tollebeek heeft dat zelf ook gedaan in zijn proefschrift 'De toga van Fruin' (1990). "Op die manier is de theoretische geschiedenis, vooral in Frankrijk en de VS, maar ook in Nederland, veel dichter bij de historiografie gekomen. De bereidheid van mensen uit de praktijk om iets op te steken van de theoretici nam dan ook toe."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's

VU Magazine 1998 - pagina 214

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's