Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1998 - pagina 160

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1998 - pagina 160

6 minuten leestijd

Eric Le Gras

Het Lonersdiepje nabij Loon: "Het beekdal was vruchtbaar, zoals ook de belastinggaarders destijds wisten."

Waar vind je in Nederland nog ongerepte natuur en een landschap dat niet al te drastisch veranderd is door menselijk ingrijpen? Nergens waarschijnlijk, maar wie op zoek is naar de laatste resten van het oorspronkelijke landschap zal waarschijnlijk in Drenthe beginnen. Dat is tenslotte een dunbevolkt gebied zonder grote steden of industriegebieden, een provincie ook waar de moderne infrastructuur enigszins menselijke afmetingen heeft behouden. Maar na een 'dagje Drenthe' met dl ir fan Bieleman blijft er van dat idyllische beeld weinig over. De universitair docent aan de Landbouwuniversiteit Wageningen laat weinig heel van het idee dat Drenthe een natuurlijke provincie zou zijn: "In de vroege Middeleeuwen waren grote delen van Drenthe bedekt met bos, maar de ontginningen die daarna begonnen, leidden tot een aantasting van het landschap, die we nu niet meer zouden tolereren. Drenthe was rond 1500 al grotendeels leeg en in de zeventiende eeuw stonden de dorpen in een oceaan van heide." Volgens de landbouwhistoricus en voormalig landschapsarchitect dwongen de economische omstandigheden de boeren in de Middeleeuwen en daarna, het land te gebruiken tot op de rand van de uitputting en soms daaroverheen. Vruchtbare grond veranderde in schrale heidevelden en als het echt mis ging zelfs in kale zandverstuivingen waar alleen wat zeldzame plantensoorten zich konden handhaven. De grote, stille Drentse heide is het resultaat van eeuwenlang

wcs

M E I / J U N I 19

niet efficiënt, maar destijds was die indeling wel degelijk verstandig, vooral om de risico's te spreiden." Belastinggaarders

intensief grondgebruik voor agrarische doeleinden. Dat Drenthe tegenwoordig weer tamelijk groen oogt, is vooral te danken aan de inspanningen van de werklozen van de jaren dertig, die als tegenprestatie voor een karige uitkering, bos moesten aanplanten. En dat houdt weer in, stelt Bieleman, dat het landelijke gebied van bijvoorbeeld Noord- en Zuid-Holland in de laatste honderd jaar door menselijk ingrijpen minder van aangezicht veranderde dan Drenthe. Ook de schaapskudden, onvermijdelijk in elke WV-gids voor het gebied, zijn niet veilig voor Bieleman. "In de zeventiende eeuw", zegt hij, "hielden de boeren vooral rundvee. Pas later kreeg het schaap de voorkeur. Dat had te maken met de intensivering van de landbouw in de achttiende eeuw. De behoefte aan mest nam toe en schapen zijn betere mestproducenten dan runderen."

Oriëntatiepunt

Bieleman pakt er een stapeltje topografische kaarten uit het begin van de eeuw bij, die tonen hoeveel er alleen al in honderd jaar veranderde. Zo ligt Zweeloo tegenwoordig in het groen, maar op de oude kaart overheersen rond dat dorp de geeltinten en die staan voor kale, woeste grond. Bieleman: "Rond 1650 besloegen de woeste gronden het grootste deel van het oppervlak van de provincie. De term 'woeste gronden' is overigens een term die is ingevoerd door negentiendeeeuwse landbouwkundigen, die daarmee wilden aangeven dat ze nodig ontgonnen moesten worden. Ik spreek zelf liever van 'wilde weidegronden'." Onderweg van Assen naar het eerste doel van de tocht, de es van Gasteren, wijst Bieleman op de spits van de kerktoren van Rolde, die al honderden jaren een oriëntatiepunt vormt voor de wijde omgeving. In Gasteren valt zijn oog op een bord dat aankondigt dat het dorp

het zevenhonderdjarig bestaan viert. Dat cijfer doet volgens hem geen recht aan de feiten: "De eerste, bekende bronnen waarin sprake is van Gasteren hebben een ouderdom van 700 jaar, raaar ver daarvoor bevond zich hier al een nederzetting." De es van Gasteren ligt op een verhoging in het land, vlak naast het dorp. "Een es", legt Bieleman uit, "is in tegenstelling tot wat wel eens gedacht wordt geen land dat de dorpelingen gemeenschappelijk in gebruik hadden. Van een commune-achtig systeem is nooit sprake geweest. ledere boer had eigen land waarvan hij de opbrengst ook voor eigen gebruik aanwendde. Alleen na de oogst lieten de dorpelingen hun vee vrij op de es weiden. Maar dat was uiteindelijk weer in het voordeel van de individuele boer, want dat vee liet broodnodige mest achter." "Dit is een goede plek om te laten zien hoe het Drentse land er vroeger uitzag en

hoe de boeren hun bedrijf uitoefenden", wijst Bieleman. "In de zomer van 1650 moet hier rogge hebben gestaan. Dat gewas besloeg een flink oppervlak, want een es kende geen duidelijke erfafscheidingen." De boeren kenden de afmetingen en de mogelijkheden van hun land overigens precies, en de afscheiding tussen de lapjes grond was gemarkeerd met stenen. Slimmeriken probeerden soms zo'n steen te verplaatsen, maar de rechtmatige eigenaren groeven daaronder een tweede steen in en wisten zo het bedrog te voorkomen." Mogelijk komt de uitdrukking 'dat de onderste steen boven moet komen' van dit gebruik. "Gasteren", vertelt Bieleman, "was rond 1650 een dorp met ongeveer tien vrij grote boeren, die een hectare of acht bouwland en ruim twintig stuks rundvee hadden. De es was in stroken opgedeeld en een boer kon tientallen van dergelijke stroken hebben. In onze ogen lijkt dat

Een rij bomen markeert de begrenzing van de es, waarop een boer tegenwoordig aardappelen verbouwd. Verderop ligt een beekdalletje en daar weer achter de heide van het Balloërveld. Een uitzicht dat typerend is voor de provincie Drenthe, die enige gelijkenis vertoont met een omgekeerd soepbord: hoog in het midden vanwege een laag keileem die de gletsjers van de voorlaatste Ijstijd achterlieten, en langs de randen een laag, moerassig deel. De beekjes die het Drents plateau doorsnijden, voeren het water af naar de lagergelegen delen. De bomenrij die de grens van het perceel aardappelen markeert, was vroeger een houtwal die vee dat in het beekdal en op de heide graasde de weg naar de es moest versperren. Bieleman: "Het beekdal fungeerde vooral als hooiland. Het was vruchtbaar, zoals ook de belastinggaarders destijds wisten. Voor hooiland rekenden ze tweeëneenhalf keer meer dan voor land op de es." De waarde van het hooiland en het feit dat het vaak tussen de essen van twee dorpen in lag, gaf soms aanleiding tot conflicten over de gebruiksrechten. Die conflicten leidden tot rechtspraak en de weerslag daarvan in de archieven vormt een bron van kennis voor Bieleman. Achter het hooiland, dat moderne natuurontwikkelaars met behulp van graafmachines in ere hebben hersteld.

wcs MEl/jUNl 19

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's

VU Magazine 1998 - pagina 160

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's