VU Magazine 1998 - pagina 59
groep of desnoods een individu. Poëzie is altijd pragmatisch verankerd; zij dient altijd een doel." 'Klein vogelijn' is een lied geweest in de levenswerkelijkheid van mijn ouders, het is bedoeld als een christelijke lofzang naar God toe, om het modern uit te drukken. Het gaat niet om het vogeltje, die is een metafoor voor het Mysterie van het Leven, het gaat om lof, dank, eerbied, gehoorzaamheid, waar de Schepper om vraagt. Het middel is poëzie, samenzang, ter bevestiging van de veiligheid van de gemeenschap. "Een tweede wezenskenmerk van poëzie is dat zij een in taal uitgedrukte en tegelijk door talige vorm beheerste emotie is. Zij is de uitdrukking en beheersing tegelijk van een emotionele impuls". Aldus Bronzwaer. Zij doet dat door de zogenaamde "geperiodiseerde herhaling"; men moet daarbij denken aan rijm, maat, gelijkheid van regellengte en wat dies meer zij. Die steeds terugkerende klanken en woorden en zinnen, die zich steeds herhalende uitspraken ook: O, O, O, zeg ons, zeg ons, zeg ons, aardig beest, aardig beest, aardig beest, meester, meester, meester, oh, oh, wat was dat mooi. "Een derde wezenskenmerk is, volgens Bronzwaer, dat poëzie de waarheid liegt. De woorden zingen zich los van hun betekenis, dat hoor je ook wel eens, of het bekende "lees maar, er staat niet wat er staat" van Nijhoff. Door de trucs die ik noemde, die geperiodiseerde herhalingen, kreeg ik een andere werkelijkheid voorgeschoteld dan die waarin ik gewend was te spreken en te begrijpen. Een vogeltje bleef weliswaar ergens ook een vogeltje, een meester een meester, een god een god, maar vogeltje, meester en god zongen zich los van hun betekenis, zij gingen een geheime relatie met elkaar aan, kwamen terecht in een hogere orde. Een leugen, zo mooi, dat zij als waarheid werd beleefd. Bronzwaer: "Poëzie is die taal (...) die wij gebruiken om nieuwe betekenissen op te roepen en daardoor nieuwe werkelijkheden tot stand te brengen." Zo werd mij op poëtische wijze bijgebracht dat er een hogere werkelijkheid is, waarin een beest, dat niet naar school gaat toch een meester heeft die God heet en hem zingen heeft geleerd. Alles kon, voor alles was een verklaring. Ik huiverde van genot. En terecht, als ik Bronzwaer mag geloven: "Door alle eeuwen heen heeft men aan poëzie het vermogen toegekend, het 'absolute', het 'ene', het 'eeuwige' tot uitdrukking te brengen, de 'diepste waarheid' te onthullen." Menig hedendaags god-zoeker zal het hem nazeggen. Poëzie onthult het Mysterie van de Schepping. Darwin zou zich in zijn graf omdraaien als hij dit allemaal zou horen. Maar ik dwaal af. Waar ging het over? Over complexiteit en orde. Ook Frijda verwijst naar dit begrippenpaar, als hij het heeft over de bron van de esthetische emoties. De verwerking van de stimuli die je krijgt door het lezen of horen van een gedicht, een lied, resulteren in een dynamiek van spanning en ontspanning. Emoties ontstaan als er belangen in het spel zijn, een onvervuld verlangen bijvoorbeeld. Een onvervuld verlangen geeft spanning. Ook complexe, op het eerste gezicht onbegrijpelijke stimuli doen dat. De spanning die een kunstwerk oproept is afhankelijk van de verhouding tussen de 'orde' van de stimuli
waarmee het verlangen wordt opgeroepen en de complexiteit waarmee dat wordt gedaan. Klein vogeltje, wat zing je toch een mooi'liedje, wie heeft je dat toch geleerd, God natuurlijk, daar word je niet echt opgewonden van, maar "Klein vogelijn op groenen tak, wat zingt g'een lustig lied", ta-tam, ta-tam, dat maakt er iets opwindenders van. Ietsje complexer, maar voor mij destijds genoeg om het mooi te vinden. Het kunstwerk moet er voor zorgen dat je een beetje niet begrijpt wat je verlangen toch is, dat het je uitdaagt en dat het je lukt om er achter te komen, en dan treedt er weer ontspanning op. Zulke stijgingen en dalingen in spanningsniveau zijn "lustvol", zegt Frijda, "en dat zijn ze wanneer de cognitieve of emotionele assimilatie een succesvol verrichte taak krijgt aangebonden."
"De beste metafoor voor net ergens tets dat op ons toeziet, is net echtpaar Moeder Natuur en Vadertje 1 ijd onbewogen toe. Het laat ons gewoon geboren worden^ leven
in de wereld. Dat is waar poëzie over gaat. »
wcs
JANUARI/FEBRUARI
1998
59
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998
VU-Magazine | 492 Pagina's