Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1998 - pagina 131

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1998 - pagina 131

5 minuten leestijd

nis hebben, omdat men het nauwelijks met anderen zou delen en het weinig invloed zou hebben op het publieke terrein. Moeten we dus concluderen dat Nederland nu eens echt gidsland is, op het vlak van secularisatie dan? Heeft het domineesland echt plaats gemaakt voor 'een land van vijftien miljoen mensen', mensen die allemaal individualisten zouden zijn, zodat ze mèt elkaar niets waard zijn, omdat immers ieder zijn of haar hoogsteigen religieuze waarden heeft? De juiste bril Maar die conclusie kan niet waar zijn. Al was het maar omdat het niet aannemelijk dat Nederland zo los van 'de wereld' staat dat het tegen de mondiale stroom van revitalisering van de religie in zou kunnen zwemmen. Kijken wij wel goed als we de bril van de godsdienstsociologen opzetten? Wat is dat eigenlijk voor bril? Empirisch werkende godsdienstsociologen, onderzoekers die gericht zijn op wat er als statistisch opvallend (significant!) uitspringt, zijn geneigd om vooral te letten op de kerkelijke structuren en instituties waarin religie en religiositeit ingekaderd zijn. Dat is ook het geval in de rapporten van het Planbureau. Het rapport uit '97 bestudeert weliswaar 'paracultuur' en 'alternatieve religieuze bewegingen', maar de maat die het aanlegt voor het meten van de betekenis ervan is die van kerkachtige institutionalisering. Alleen al het woord 'substitutie' wijst daarop. De vraag waar het de onderzoekers om te doen was, zo zagen we al, was in hoeverre religieuze alternatieven de traditionele kerkelijk vormgegeven religie vervangen. Maar een dergelijke vraag maakt het heel moeilijk om tegelijkertijd gespitst te zijn op nieuwe vormen van religiositeit waarbinnen andere functies vervuld worden dan de afkalvende kerkelijk ingekaderde godsdienst vervulde. Trouwens, ook het taalgebruik van de rapporten, het spreken van 'paracultuur' en 'alternatieve religieuze bewegingen' bijvoorbeeld, suggereert al dat de maat voor de indeling van het religieuze landschap die van de 'normale' of 'dominante' cultuur is. Dat is de kerkelijk georiënteerde cultuur van het recente verleden. Wat ook te denken van die merkwaardige eerste zin van 'God in Nederland', de zin die eindigt met de woorden dat de onderzoekers in dit boek "niets zeggen over God"? Hebben we met een boek te maken waarvan de inhoud een heel andere is dan de titel aangeeft? Of zit er wat anders achter? Waarschijnlijk staat op de achtergrond de overtuiging dat sociologen niet, en theologen en gelovigen wèl iets over God kunnen zeggen. Maar is dat laatste wel zo? Is God ook voor theologen en gelovigen niet de benaming voor wat alle 'normale' spreken te boven gaat, een werkelijkheid die eerder een breuk of een gat in 'het normale' is, een werkelijkheid waarnaar mensen verlangen juist omdat die niet in woorden te betrappen is, een werkelijkheid waartoe ze misschien wel bidden of waartegen ze schreeuwen, maar waarvan geldt dat alles wat men over die God op de gewone, constaterende en objectiverende manier zegt, juist niet God is? Zou het niet zo zijn dat wanneer een enquêteur, op pad gestuurd door godsdienstsociologen, vragen voorleest van het type "gelooft u in... hemel, vagevuur, hel, duivel^ in God, in een leven na de dood?" e t c , veel gelovigen

daarmee geen raad weten, of maar simpelweg antwoorden: nee! Al was het maar omdat niet-weten, niet-vastbijten in cognitieve zekerheden, ook deel van een religieuze attitude kan zijn? Maar wanneer ook gelovigen en theologen "niets zeggen over God" in de "normale" zin van het woord, wat moeten we dan denken van die eerste zin, aangenomen dat het geen zinloze mededeling is? Vermoedelijk dit: 'God in Nederland' en de andere rapporten richten zich niet, kiinnen zich door hun godsdienstsociologische benaderingswijze niet richten, op het persoonlijk geloof van de Nederlanders. De rapporten weten niet echt raad met die religiositeit die juist niet in precieze beschrijvende taal uit te drukken valt, maar waarin wel voor veel mensen een uiterst belangrijke ervaringswaarde ligt. De rapporten weten geen raad met de hoop en de verbeelding, en met de angsten en obsessies die mensen in onze postmoderne cultuur naar 'het religieuze' doen verlangen. De onderzoekers hechten geen betekenis aan de gegevens die ze paradoxaal genoeg voor een deel zelf aanreiken. Het gegeven bijvoorbeeld dat bijna de helft van de Nederlanders zegt dat zij minstens één keer, vaker meerdere keren, een religieuze ervaring hebben gehad. Hetzelfde stelde de Amerikaanse socioloog Andrew Greeley al jaren geleden vast voor de Amerikaanse bevolking: heel veel mensen ondergaan één keer of vaker een overweldigende ervaring van een genadevolle Werkelijkheid. Maar de rapporten vinden daar geen betekenis in. Ook niet in de gegevens over het opvallend grote aantal mensen dat op één of andere manier verbonden is met, of sympathie heeft voor kerken buiten de confessionele hoofdstromingen, in het bijzonder voor evangelicale bewegingen, de bewegingen waarbinnen persoonlijke bekering en ervaring centraal staan (zo'n 12 procent, midden jaren '90]? En wat te denken van het feit dat slechts 16 procent van de Nederlanders zichzelf uitdrukkelijk atheïst vindt? De onderzoekers denken daar niets van. Maar dat feit past niet in het beeld van een Nederland dat door een voortgaande secularisatie op den duur ook de persoonlijke religiositeit zal uithollen. Zelfs wanneer we de 15 procent agnosten, zij die bewust niet-weten, gemakshalve niet tot de godsgelovigen rekenen - wat zoals gezegd dubieus kan zijn - dan nog blijkt 69 procent van de Nederlanders zichzelf religieus en 'godgelovig' te vinden! En klopt het centrale argument van 'God in Nederland' eigenlijk wel? Dat argument dat het religieuze geloof van tweederde van de Nederlanders weinig betekenis heeft doordat het slechts in beperkte mate met anderen gedeeld wordt - lees: doordat het slechts in beperkte mate kerkelijk ingekaderd is! en doordat het vermoedelijk voornamelijk betekenis zal hebben voor het persoonlijke leven? Ja, zal het antwoord moeten zijn, dat argument klopt wanneer we op religieus terrein alleen dat betekenisvol vinden wat zich onderscheidt door duidelijke, meetbare, institutionele grenzen tussen het sacrale en het profane, door collectieve regelingen over organisatie van kerken of over taken en bevoegdheden van hun ambtsdragers, door vastliggende procedures en strak geformuleerde religieuze beginselprogramma's van scholen, universiteiten, partijen en instellingen. Maar het argument klopt niet.

wcs

MAART/APRIL 1998

55

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's

VU Magazine 1998 - pagina 131

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's