VU Magazine 1998 - pagina 343
krijgt haar kind op tijd, luidt de moderne aansporing. Bij vrouwen is het probleem eigenlijk nijpender; mannen kunnen tot op hoge leeftijd een vrouw bevruchten, maar bij vrouwen begint na het dertigste levensjaar de vruchtbaarheid achteruit te gaan. Met name onder hoogopgeleiden is de kinderloosheid relatief hoog. Daarnaast, zou de verontruste hedendaagse eugeneticus kunnen opmerken, zie je bij laag opgeleide allochtonen nog een gezinsgrootte die in autochtone gezinnen al enkele decennia vrijwel niet meer voorkomt. Om de toestand in de wereld te karakteriseren gebruikt Lynn de volgende metafoor: de natuurlijke selectie kan worden opgevat als een tuinman die het onkruid uit de tuin verwijdert en nu en dan een gewenste nieuwe plant er aan toevoegt. De tuinman houdt de tuin op peil en probeert kleine verbeteringen aan te brengen. Wanneer de tuinman echter ophoudt met werken, verspreidt het onkruid zich ongecontroleerd en de tuin degenereert daardoor. Dat nu heeft in maatschappelijk opzicht plaatsgevonden: in de loop van de negentiende eeuw is de tuinman opgehouden met werken in de Westerse naties. Zaaigoed Het is niet moeilijk de denkbeelden van Richard Lynn honend van de hand te wijzen: reactionaire flauwekul die aantoonbaar onjuist is; grote onzin! De bewijzen van het tegendeel van een intellectuele degeneratie liggen voor het oprapen. Sinds de negentiende eeuw heeft de maatschappij zich aanzienlijk ontwikkeld. Ooit was het volgen van hoge opleidingen het privilege van een kleine bevoorrechte elite, tegenwoordig is dat anders. Het aantal jongeren dat hogere opleidingen volgt is drie maal zo hoog geworden sinds de oorlog. Een enkeling wijst zelfs bezorgd op het gevaar van overscholing: om een goede secretaresse te zijn is het echt niet nodig om een academische opleiding te hebben voltooid. Opleidingsniveau zegt niet alles over intelligentie, maar toch, die stijging in opleidingsniveau zou moeilijk mogelijk zijn geweest wanneer mensen echt steeds dommer waren geworden.
Richard Lynn is echter niet voor één gat te vangen. Natuurlijk, hij kan er moeilijk onderuit te erkennen dat het intellectuele niveau eerder gestegen dan gedaald is. Maar daar heeft hij een vernuftige verklaring voor. De degeneratie vindt weliswaar onmiskenbaar plaats maar, stelt hij, die wordt gemaskeerd door omgevingsfactoren. Vooral de voeding speelt hierbij een doorslaggevende rol. Het feit dat we in de loop van de negentiende eeuw ons steeds beter zijn gaan voeden, heeft gevolgen voor onze fysieke constitutie. We worden daardoor bijvoorbeeld steeds langer en ouder, maar ook de herseninhoud neemt toe en er vindt een neurologische ontwikkeling van het brein plaats.
Degeneratie vindt altijd plaats, ook wanneer ze niet plaatsvindt. De wetenschapper ontpopt zich in zaken van eugenetica gemakkelijk als mysticus die over geheime kennis beschikt die zich alleen aan hem openbaart: tegenover de zichtbare stijging van opleidingsniveau stelt hij de onzichtbare daling van de intelligentie. Alleen de wetenschapper, in dit geval Richard Lynn, kan door zijn bijzondere vermogens zien, wat voor de leek verborgen blijft. Hij kan
Struikgewas
Om de vergelijking met de natuur - die voor een erfelijkheidsdenker zo voor de hand ligt - maar weer op te zoeken: Lynn beweert dat het product beter is geworden, echter niet door de verhoogde kwaliteit van het zaaigoed maar door de bemesting. Die verbeterde bemesting heeft de verminderde kwaliteit van het zaaigoed, onze erfelijke intelligentie, zorgvuldig gecamoufleerd. Maar op een zeker moment, en dat moment zou wel eens snel kunnen aanbreken, valt aan die bemesting, de kwaliteit van het voedsel, weinig meer te verbeteren. En dan pas, vermoedt Lynn, zal de intellectuele degeneratie in alle openheid op de voorgrond kunnen treden. Daarom ook moet eugenetica weer bespreekbaar worden. Niet iedereen is daarvan echter geporteerd. De maatschappelijke consequenties doen veel mensen huiveren, maar er is ook veel aan deze denkwijze dat in intellectueel opzicht eigenaardig is. De eugenetische denkwijze vormt een merkwaardige mengeling van openheid en geslotenheid, van wetenschappelijkheid en dogmatiek. Enerzijds verzamelen oude en nieuwe eugenetici onbeperkt empirisch materiaal dat de eigen stelling van intellectuele degeneratie kan onderbouwen, anderzijds is die stelling op geen enkele wijze falsifieerbaar.
;• door het camouflerende struikgewas heenkijken en de naakte waarheid aanschouwen. En wanneer men aan de wetenschapper als mysticus om onthullingen vraagt, om voor de leek een tipje van de sluier op te lichten, ondergaat hij een nieuwe gedaantewisseling en ontpopt zich als profeet: wacht maar af, de voorspellingen zullen uitkomen, nu misschien nog niet, maar in de toekomst zal mijn gelijk blijken. Meer concreet bestrijden sommige critici de eugenetische denkwijze via de erfelijkheidsopvatting van intelligentie. Intelligentie is niet op eenzelfde wijze genetisch bepaald als de ziekte van Huntington of het Down-syndroom.
wcs SEPTEMBER/OKTOBER 1998
39
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998
VU-Magazine | 492 Pagina's