Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1998 - pagina 125

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1998 - pagina 125

5 minuten leestijd

Een posttraumatische nachtmerrie en een herbeleving hebben met elkaar gemeen dat de inhoud steeds ondubbelzinnig verwijst naar de traumatische gebeurtenis. Een 'gewone' nachtmerrie kan over van alles en nog wat gaan. De proefpersonen die deelnamen aan het promotie-onderzoek van Schreuder hadden allemaal lichamelijke en psychische klachten die door henzelf of door hun arts waren toegeschreven aan ervaringen die ze tijdens de Tweede Wereldoorlog of m Nederlands-Indië hadden opgedaan.Bij ruim de helft van de 223 proefpersonen werd een posttraumatische stress-stoornis geconstateerd. Ook iets meer dan de helft van de ondervraagden verklaarde desgevraagd het voorafgaande half jaar minstens eenmaal per maand een posttraumatische nachtelijke herbeleving te hebben doorgemaakt. Er werd een onderscheid gemaakt tussen nachtmerries, die 's nachts tot ontwaken leiden, en angstdromen die bij het opstaan 's ochtends als een nare droom worden herinnerd. In beide gevallen ging het om dromen vol krijgshandelingen.

elkaar lijken - afgezien van de droominhoud. In het geval van de herbeleving zijn er aanwijzingen dat er in 'biologisch' opzicht iets mis is: bepaalde hersenfuncties lopen ten opzichte van elkaar uit de pas. Het fijne hiervan is nog niet bekend. Schreuder: "Tegen de partner van iemand die hieraan lijdt, zeg ik: het ligt aan de hersenen die niet helemaal goed geschakeld zijn."

Opmerkelijk was dat een derde van de onderzochte 'dromers' volgens het psychiatrisch onderzoek niet leed aan een posttraumatische stress-stoornis. De 'droomklachten' gingen bij hen dus niet gepaard met andere verschijnselen, althans niet in die mate dat er sprake was van een veelomvattender stoornis. Wel gold dat wie veelvuldig nachtmerries doormaakte, in het algemeen ernstiger posttraumatische klachten had. Nachtmerries die geen verband hielden met de traumatische ervaringen uit het verleden, kwamen evenveel voor als bij mensen zonder trauma's. Die 'algemene' nachtmerries waren wel een stuk zeldzamer dan de posttraumatische.

In Oegstgeest is psychiater Schreuder bezig met de uitwerking van een experiment dat proefpersoon en onderzoeker in elk geval tot buiten de muren van het laboratorium voert. Patiënten kregen een apparaat mee naar huis dat gedurende drie opeenvolgende nachten hun hersenactiviteit registreerde. Twee weken voor en na de meetperiode dienden de patiënten direct na het ontwaken een vragenlijst in te vullen over de dromen die ze zich kunnen herinneren. Het ging Schreuder om de verschillen tussen de gerapporteerde dromen. De oogst blijft echter beperkt. Schreuder: "Hoewel het om oorlogsslachtoffers ging die speciaal met klachten over nachtmerries naar ons instituut kwamen, treffen we erg weinig aan. Toch zijn we hiermee een van de eersten die een verbinding leggen tussen de fysiologie van het dromen en een klinische behandeling. Veel onderzoekers, ook in de Verenigde Staten, blijven alleen bezig in het slaaplaboratorium. Met al zijn beperkingen." Beperkt zijn ook de behandelmogelijkheden. Getracht wordt vooral de sociale en psychische omstandigheden die aan de basis van de nachtmerries liggen te beïnvloeden. Wie wakend sterker in zijn schoenen staat, zo is de redenering, moet de nacht ook beter aankunnen. Schreuder zegt het meeste succes te boeken met een combinatie van gedragstherapie en psychotherapie. Een pil tegen nachtmerries is er niet. Soms helpen antidepressiva. Maar verreweg de meeste mensen belanden niet in een kliniek. Met alléén klachten over 'gewone' nachtmerries komt vrijwel niemand bij de dokter. Vaak gaat het om posttraumatische herbelevingen, aldus Schreuder, omdat die door hun realistische inhoud veel verstorender zijn. "Ouders van een kind met pavor nocturnus bij de dokter komen, krijgen doorgaans te horen dat ze hun kind z'n gang moeten laten gaan. Het is een rijpingsproces, krijgen ze te horen,- het gaat over. Als ze maar weer gaan slapen en niets vernielen. Dat advies is ook voor de partners van mensen met nachtelijke herbelevingen zo gek nog niet, heb ik gemerkt. Ik zeg vaak: als u het voor elkaar krijgt dat u uw partner tijdens zijn activiteiten niet wakker maakt uit zijn sluimertoestand en dat hij na afloop kan doorslapen, dan werkt dat heel goed. Het kost moeite, omdat ook de partner de stuipen op het lijf worden gejaagd. Daarom nog een praktisch advies: doe vooral de deur op slot."

Er zijn factoren, ontdekte Schreuder, die het al dan niet voorkomen van een nachtelijke herbeleving beïnvloeden. Wie meer dan vier geweldservaringen had doorgemaakt, loopt een sterk verhoogd risico op nachtelijke onrust. Ook emigratie na een schokkende ervaring werkt negatief. Wie direct na zijn ervaringen over het gebeuren heeft kunnen praten, is beter af. Hetzelfde geldt voor mensen die in de voorbije zes maanden een positieve gebeurtenis in hun leven hebben meegemaakt. Die gebeurtenis blijkt ook een diepgeworteld trauma tijdelijk te kunnen verdringen. Andersom, zo noteerde Schreuder uit de monden van de oorlogsveteranen, kan een televisie-uitzending die herinneringen oproept aan de krijgshandelingen van weleer leiden tot een terugkeer of verheviging van de nachtmerries. Het viel Schreuder op dat de posttraumatische herbelevingen veel overeenkomsten vertonen met de incubus, de angstdroom die zich aan het begin van de nacht voordoet en ook tot allerlei fysieke activiteiten leidt. Bij een herbeleving kan de slaper zich echter veel meer herinneren over de inhoud van de droom. Ook is de mcubus strikt voorbehouden aan de perioden waarin er geen sprake is van REM-slaap. Kenmerkend voor die perioden is dat de spieren totaal verslapt zijn. Het is een sensatie die bijdraagt aan het gevoel dat veel mensen hebben tijdens een nachtmerrie: het niet kunnen ontkomen aan een belager. Een posttraumatische herbeleving kan zich echter wel degelijk voordoen tijdens de REM-slaap, inclusief een motorisch verschijnsel als slaapwandelen. Hetgeen er volgens Schreuder op duidt dat de 'gewone' REM-nachtmerrie en de herbeleving twee verschijnselen zijn die bij nader inzien betrekkelijk weinig op

Zeldzaamheid

Zoals gezegd, het wereldje van de nachtmerrie-onderzoekers is erg klein. Schreuder schat dat hij wereldwijd niet meer dan een dozijn collega's heeft. Eensgezind over oorzaak en aanpak van nachtmerries zijn ze allerminst. Het door Schreuder gemaakte onderscheid tussen herbelevingen en posttraumatische nachtmerries en angstdromen is bijvoorbeeld nog zeker geen gemeengoed. Alle onderzoekers van nachtmerries blijven echter kampen met datzelfde probleem: de zeldzaamheid van het onderwerp dat ze bestuderen.

wcs

MAART/APRIL

1998

49

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's

VU Magazine 1998 - pagina 125

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's