VU Magazine 1998 - pagina 258
ontwikkelingen te verklaren en niet op het niveau van biogeografische factoren. Dit zijn de factoren die Jared Diamond fundamentele factoren noemt.
cultuur aansluit? Anderzijds is het keihard reduceren van de Europese technologische superioriteit tot voortkomend uit de geografische, klimatologische of andere omstandigheden ook al tijden niet meer in de mode. Zelfs de achttiende-eeuwse Fransman Montesquieu, die altijd graag wordt aangehaald als zou hij slavernij hebben verdedigd met het argument dat in warme klimaten mensen alleen aan het werk gezet kunnen worden door ze angst in te boezemen, spreekt uiteindelijk over invloeden en niet over noodzakelijke bepaling. Of neem onze eigen [an Romein, die het in de jaren vijftig in 'Het Aera van Europa' over de opkomst van Europa heeft. Romein ziet bijvoorbeeld het gematigde klimaat niet als bepalend voor de Europese ontwikkeling. Als het klimaat bepalend zou zijn waarom hebben andere gebieden in de wereld met een gematigd klimaat dan niet een soortgelijke ontwikkeling doorgemaakt? Romein zelf schetst de opkomst van Europa als een cumulatief effect van sociaal-culturele processen en verworvenheden, zoals het rationalisme van de Grieken, het organisatievermogen van de Romeinen, het Christendom enzovoorts, die hij als een afwijking van het Algemeen Menselijk Patroon ziet. De uniciteit van Europa in de wereldgeschiedenis is de uitkomst van een serie betrekkelijk toevallige ontwikkelingen, die noch tot het genetisch anders-zijn van de Europeanen noch tot hun omstandigheden worden gereduceerd. Historici opereren net als Jan Romein doorgaans op het niveau van sociaalculturele processen om historische
26
wcs
JULI/AUGUSTUS
1998
Zaadgrootte Een hedendaagse historicus met een even wereldbrede aanpak als Jared Diamond is William H. McNeill. Vorig jaar kreeg McNeill nog een eredoctoraat van de Erasmus Universiteit voor zijn baanbrekend werk. Alhoewel McNeill ook naar de invloed van bijvoorbeeld ziektekiemen op de loop van de geschiedenis kijkt, is zijn aanpak toch vooral sociaal-cultureel. Hij ziet de opkomst van het Westen als een min of meer toevallige uitkomst van contacten en conflicten op wereldwijde schaal. In tegenstelling tot de opvattingen van Romein en McNeill, is bij Jared Diamond de opkomst van het Westen in het geheel geen toeval. Hij slaagt erin volkomen duidelijk te maken waarom het Euro-Aziatische continent een gigantische voorsprong op Afrika, de Amerika's en de rest van de wereld kon krijgen. Daarnaast geeft hij geografische argumenten voor het uiteindelijke overwicht van Europa op China. McNeill spreekt met betrekking tot de biogeografische aanpak van Jared Diamond dan ook van een radicaal nieuwe invalshoek. En hoewel McNeill het in dat verband over 'geschiedenis op z'n kop' heeft, steekt hij zijn bewondering voor Diamond toch niet onder stoelen of banken. Het verhaal begint zo'n elfduizend jaar voor Christus als op verschillende plekken in de wereld jagers-verzamelaars onafhankelijk van elkaar landbouw ontwikkelen. Doorgaans wordt dit als de Neolithische Revolutie aangeduid, maar die term lijkt Diamond zorgvuldig te vermijden. Waarschijnlijk omdat het nog millennia zal duren voordat de landbouw zich over een substantieel deel van de aardbol heeft verspreid en ook omdat die op meerdere plaatsen onafhankelijk van elkaar is uitgevonden. Als eerste in het gebied van de Vruchtbare Halvemaan in het Midden-Oosten en niet lang daarna in China, Pas duizenden jaren later volgen het Oosten van de huidige
Verenigde Staten en Zuid-Amerika. Of de landbouw onafhankelijk in Afrika en Nieuw-Guinea is begonnen is nog niet geheel duidelijk geworden uit het archeologisch onderzoek. Dat de landbouw als eerste in het gebied van de Vruchtbare Halvemaan ontstaat is geen toeval; de grassoorten gerst en tarwe groeien er al in grote hoeveelheden in het wild. De situatie is dermate gunstig dat men al in vaste nederzettingen gaat wonen voordat men met echte landbouw begint. Een dergelijke situatie geldt ook in delen van China, In andere delen van de wereld zijn de mogelijkheden voor het ontstaan van landbouw dramatisch ongunstiger. Dat hangt nauw samen met het feit dat niet elke wilde plant evenzeer geschikt is voor menselijke verbouw en consumptie. Daarbij spelen factoren als de zaadgrootte een rol, hoe gemakkelijk het is om ze te oogsten, of de plant een jaarcyclus heeft, enzovoorts. Zo blijken bijvoorbeeld van de 56 soorten gras met grote zaden, er 32 in het Middellandse Zeegebied voor te komen. Daarentegen moeten zones met vergelijkbare klimaten zoals Californië en zuidelijk Afrika het er met elk een doen, terwijl het zuidwesten van Australië niet één grassoort met grotere zaden heeft. Alleen dit feit al draagt een hoop bij aan een verklaring van de loop van de menselijke geschiedenis, concludeert Diamond.
Domesticatie Dezelfde dramatische verschillen laat trouwens ook het aantal voor domesticatie geschikte diersoorten zien; dieren die niet alleen een voedselbron zijn, maar ook als last- en ploegdieren worden gebruikt en zo de productiviteit behoorlijk opschroeven. Terwijl het varken, de geit, os en kip op het EuroAziatische continent al snel waren gedomesticeerd, zijn in Afrika, Amerika en Australië deze diersoorten niet beschikbaar. Zo lijkt Afrika vol te zitten met grote zoogdieren, maar daarvan blijkt er niet één geschikt voor domesticatie, bijvoorbeeld omdat ze in gevangenschap niet jongen. Of omdat de desbetreffende dieren, zoals de neushoorn, geen strenge onderlinge
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998
VU-Magazine | 492 Pagina's