VU Magazine 1998 - pagina 344
Zulke ziekten en afwijkingen zitten in de genen, je kunt ze als het ware aanwijzen, zelfs al heeft de ziekte zich nog niet geraanifesteerd. Er bestaat een directe causale relatie tussen het gen of de chromosomen enerzijds en de afwijking anderzijds. Maar een geringe intelligentie is geen ziekte of afwijking, het betreft hier een normale verdeling binnen een bevolking van slimme en domme mensen. Intelligentie is een relatieve aangelegenheid. De dommen blijven altijd onder ons. Uiteraard heeft intelligentie iets met erfelijkheid en opvoeding te maken, erkennen ook die critici, maar op een indirecte, complexe wijze. Het is weinig aannemelijk dat je een intelligenter mensenras kunt kweken door aan verbetering van genen te werken. Er is tot dusverre geen gen voor intelligentie gevonden, en het is onwaarschijnlijk dat dit alsnog zal gebeuren. Bovendien, zegt de meest gerenommeerde bestrijder van de genetisch bepaalde intelligentie, evolutiebioloog Stephen fay Gould, valt de menselijke intelligentie eerder onder de heerschappij van de cultuur dan onder die van de natuur. Kennis is cumulatief, tot op zekere hoogte in ieder geval. We hoeven het buskruit niet meer uit te vinden. Niet iedere generatie hoeft opnieuw te ontdekken hoe je longontsteking het beste kunt bestrijden. Het onderwijs en bibliotheken vormen de neerslag van wat er in de loop van de geschiedenis van de mensheid al aan kennis is verzameld. Wanneer die kennisoverdracht goed plaatsvindt - waar niet iedereen evenveel vertrouwen in heeft, maar dat is een andere kwestie - kunnen nieuwe generaties daarop voortbouwen. Het is prakisch gezien moeilijk voorstelbaar dat we steeds dommer worden. Je kunt bestaande kennrs verwaarlozen of er geen gebruik van maken, maar niet ongedaan maken. Voortreffelijkheid Niettemin is de belangrijkste pijler van het eugenetisch gedachtengoed ondanks alle kritiek fier overeind gebleven. Die pijler laat zich als volgt beschrijven: alleen dankzij een hoge
40
wcs
SEPTEMBER/OKTOBER
1998
intelligentie kan een samenleving zich ontwikkelen. Maar is dat werkelijk zo? Alle oude en nieuwe eugenetische theorieën, zowel die van Francis Galton als die van Richard Lynn, gaan uit van een klassieke interpretatie van de evolutie: evolutie als een survival of tfie fittest; een meedogenloze strijd om het bestaan waarin alleen de sterksten en slimsten overleven en daarmee de samenleving naar een hoger niveau tillen. Die strijd van allen tegen allen is niet alleen een realiteit maar zou ook wenselijk zijn; iedere poging om armen en dommen een beter leven te geven, doet uiteindelijk afbreuk aan de kwaliteit van de samenleving. Het gaat er om een steeds hoger intelligentieniveau te produceren. De negentiendeeeuwse utopisten van de eugenetica achtten het niet onmogelijk ooit een menselijk ras te kweken dat vooral bestaat uit individuele genieën als Newton en Darwin, Bach of Beethoven. Hoe meer briljante individuen, des te beter dat voor een samenleving is. Uit hedendaagse biologisch onderzoek, bijvoorbeeld in het boek 'Van nature goed' van Frans de Waal verschijnt echter een heel wat vriendelijker beeld van de evolutie. Niet alleen de keiharde competitie van puur aan hun eigenbelang denkende individuen, maar in minstens even grote mate het vermogen tot samenwerking, van altruïsme en het 'voor-wat-hoort-wat-principe' tussen individuen, is een belangrijke bron van evolutionaire vooruitgang. Het zijn de eenvoudige, bijna alledaagse wijsheden: wie een ander helpt, zal misschien ooit op zijn beurt geholpen worden; wie samenwerkt is productiever dan wie in zijn eentje voortploetert. In de hedendaagse sociobiologie vindt als het ware een herwaardering van 'vrouwelijke' deugden plaats. De natuur is niet per definitie zo agressief en meedogenloos als velen altijd veronder-
stelden. Een samenleving drijft zeker niet alleen op de 'mannelijke' deugden van voortreffelijkheid, van superieure lichamelijke of geestelijke kracht. Ook in de dierenwereld, zo laat De Waal aan de hand van vele voorbeelden zien, zijn de zachte krachten aan het werk. Onbaatzuchtig gedrag jegens minder bedeelden is niet een typisch menselijke verworvenheid, maar een 'normaal' onderdeel van de natuur. Zo zou het ook bij de intelligentie kunnen zijn. Het is niet alleen maar belangrijk om prestaties te leveren en uit te blinken. Natuurlijk is het prachtig wanneer er genieën zijn, zonder hen zou het leven heel wat schraler zijn. Culturele en wetenschappelijke prestaties hebben we aan eigenzinnige, briljante individuen te danken, aan de voortreffelijken, zij die veel en veel beter presteren dan de anderen. Maar wat moet je met een samenleving die vooral bestaat uit Newtons en Beethovens? In evolutionair opzicht zou dat vermoedelijk niet veel voordelen bieden. Voor de meeste beroepen is het niet nodig, ja zelfs hinderlijk om een genie te zijn. De bakker, de leraar, de dokter, de belastinginspecteur moeten, ieder op hun eigen wijze, goed zijn in hun vak. Ze dienen niet al te dom maar ook niet al te geniaal te zijn. Een zekere beperking aan intelligentie zal niet snel tot de zo gevreesde maatschappelijke degeneratie van Galton en Lynn leiden. Alleen dankzij de middelmaat is een samenleving mogelijk.
Naar aanleiding van: Richard Lynn, 'Dysgenics: genetic deterioration in modern populations', Praeger publishers, 1996.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998
VU-Magazine | 492 Pagina's