VU Magazine 1998 - pagina 327
zoals ze plaatsvinden, heeft met de oorzakelijke volgorde ervan te maken: iets gebeurt, doordat er daarvoor iets anders plaatsvond. Een kip of ei-kwestie. Zo kan natuurlijke selectie pas optreden op het moment dat er moleculen zijn die zichzelf kunnen kopiëren. Vervolgens, zegt Dawkins, is er vermoedelijk geselecteerd op de 'langste levensduur'. Moleculen die langer leefden konden bovendien meer kopieën van zichzelf maken. Tellen we daarbij ook nog de 'kopieersnelheid' op, dan lijkt het waarschijnlijk dat er een evolutionaire trend in de richting van de 'hoogste vruchtbaarheidsgraad' is ontstaan, en dat alles wat er in de miljoenen jaren daarna heeft plaatsgevonden, is af te leiden uit deze beginsituatie. Zwart wil er niet aan. Want, stelt hij: "Is het ook echt zo gegaan? De vraag waarom het hier volgens mij draait, is: worden dieren geselecteerd op hun reproductiviteit of op iets anders? Het lijkt me zonneklaar dat sterkere dieren een grotere kans maken om geselecteerd te worden dan zwakkere; ze leven langer. Daardoor zullen ze ook meer nakomelingen krijgen. Maar dat wil toch niet zeggen dat ze daarop worden geselecteerd? Je kunt volgens mij beter zeggen dat ze op kracht worden geselecteerd." Nogmaals: de kip of het ei. In den beginne was er de oersoep. En daar waren ineens die zichzelf kopiërende moleculen, wat al een wijze van voortplanting is. Met andere woorden: voortplanting stond al van meet af aan 'hoog genoteerd'. Sommige moleculen waren stabieler (krachtiger) dan anderen en kwamen daardoor in de meerderheid, doordat ze dankzij die langere levensduur ook meer nakomelingen kregen. Wat Zwart nu in feite beweert, is dat die stabiliteit centraal kwam te staan en dat het krijgen van meer nakomelingen daarvan een soort bijverschijnsel was. "Natuurlijk", zegt hij, "is er een relatie tussen kracht, levensduur en het verwekken van nakomelingen. Maar hoe krijg je die langere levensduur? Als je gezond bent, kracht hebt! Dus wordt er volgens mij op kracht geselecteerd. Uiteraard is er ook de drang tot reproductie, maar om die te verklaren heb ik geen genen nodig. Die drang zit gewoon
in het lichaam van het dier. Met andere woorden: het is het leven zelf dat de drang heeft zich voort te planten en zich te ontwikkelen. In mijn boek 'Evolution and Counterevolution' noem ik dit de evolutionaire drang: het is de drijvende kracht achter de evolutie. En met het leven bedoel ik niets anders dan een zeer complexe vorm van materie, die gekenmerkt wordt door een sterke drang tot groei, ontwikkeling en expansie." Elan vital
Dat Zwarts standpunt regelmatig onder vuur wordt genomen door de aanhangers van Dawkins (en vice versa), bleek onlangs nog uit de discussie die hij in het 'Algemeen Nederlands tijdschrift voor wijsbegeerte' voerde met moleculair bioloog dl P. Sluring. Deze vindt dat Zwart in zijn boek 'De grondslagen van de moraal' nogal heen en weer springt tussen darwinisme en verklaringen die neigen naar de mogelijkheid van een zich doelgericht ontwikkelende materie volgens 'hogere' principes. Dat blijkt volgens Sluring uit een zinsnede als: "Volgens mij is het het leven zelf dat de drang heeft zich voort te planten, teneinde zich steeds verder te ontwikkelen. Dit heb ik evolutionaire drang genoemd (...) De individuele organismen zijn slechts vehikels voor deze kosmische evolutionaire drang." Dit zijn, schrijft Slurink, uitgesproken teleologisch- vitalistische verklaringen die kennelijk geen verdere verklaringen behoeven. Het gaat gewoon om een soort elan vital dat voor de rest onherleidbaar is. Zwart is niet onder de indruk van deze aanval op zijn 'verklaringsmodel'. Hij vindt namelijk dat Sluring zelf in de fout gaat door te stellen dat in de nietlevende natuur exact dezelfde wetten gelden als in de levende natuur. "Dat is toch niet wat we waarnemen? Wat we wel zien is dat levende en niet-levende natuur zich in één opzicht juist volstrekt tegengesteld gedragen: levende natuur ontwikkelt zich gericht, met als voornaamste kenmerken complexificatie, diversificatie en integratie, niet-levende natuur ontwikkelt zich daarentegen richting chaos, nivellering en uniformiteit. Dit soort waarnemingen kun je toch
moeilijk in de wind slaan? "Doordat Zwart de zaken ziet zoals hij ze ziet genen hebben niets te willen - wijst hij ten aanzien van de oorsprong van de moraal, iedere biologische verklaring voor het ontstaan ervan, van de hand. "Dat klopt", zegt hij. "Ik denk dat de moraal wel verklaard kan worden vanuit de sociologie en misschien de psychologie. Hiermee ontken ik overigens niet dat er bij dieren bepaalde gedragingen zijn ontstaan die doen denken aan wat wij moraal noemen. Maar de verklaring voor het ontstaan van moraal zoeken in wat genen willen, is volgens mij een waanidee."
Fotografie: Rene Koster en Elmer Spaargaren. Met dank aan Rosa en Rinkie de G r o o t .
wcs
SEPTEMBER/OKTOBER 1998
23
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998
VU-Magazine | 492 Pagina's