Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1998 - pagina 254

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1998 - pagina 254

5 minuten leestijd

aanwezige kiempjes, een idee dat Darwin als pangenese aanduidde. Op hun rondreis door het lichaam komen Darwins gemmulae ook terecht in de geslachtsorganen, vanwaar ze met de geslachtscellen meeliften naar de volgende generatie. Darwin had zo'n soort hypothese nodig omdat hij meende dat verworven eigenschappen erfelijk konden worden, en zijn gemmulae maakten dat mogelijk als je ervan uitging dat ze een weerspiegeling vormden van de situatie in de cel waaruit ze afkomstig waren. Als die cel mede door omgevingsinvloeden was veranderd dan zouden de daar geproduceerde gemmulae daarmee ook anders zijn, en dus zouden ze die veranderingen aan volgende generaties kunnen doorgeven. Darwin benadrukte dat het hier slechts om een hypothese ging. En van zulke hypothesen waren er in de tweede helft van de achttiende eeuw wel meer. Spencer was evenzeer, of zelfs sterker, overtuigd van de mogelijkheid dat verworven eigenschappen konden worden overgedragen, maar zijn erfelijkheidstheorie ging uit van een ander soort deeltjes: fysiologische eenheden, zoals hij ze noemde, die kenmerkend zijn voor een organisme als geheel, en overal in het organisme gelijk. Spencer was een typische holist, die voortdurend benadrukte dat veranderingen waar dan ook in een systeem, dus ook in een levend wezen, gevolgen hebben overal in dat systeem. Veranderingen in een organisme kunnen daardoor terugkomen in veranderingen in die hypothetische fysiologische eenheden, ook in de eenheden die via geslachtscellen aan de volgende generatie worden doorgegeven. Hoe hypothetisch Spencer zijn eigen fysiologische eenheden ook achtte, hij meende toch dat ze in één opzicht beter waren dan Darwins gemmulae: als gemmulae voortdurend worden aangemaakt, en als ze kenmerkend zijn voor de plek in het organisme waar ze worden aangemaakt, dan is lastig te verklaren hoe uit een begoniablad een gehele plant kan worden opgekweekt. Waar komen de wortel-, stengel-, bloem- en wie weet hoeveel andere gemmulae die daarvoor nodig zijn, vandaan?

22

wcs

JULI/AUGUSTUS

1998

Kiembaan

Een andere invloedrijke schrijver over erfelijkheid was de Duitser August Weismann. Weismann meende dat elke eigenschap van een organisme afzonderlijk was vastgelegd in een determinerende factor in de cel, en dat die determinerende factoren onderling verbonden waren tot grotere eenheden. Spencer vond dat maar een raar idee: hoeveel factoren zou je wel niet nodig hebben om alle details waarin organismen kunnen verschillen, vast te leggen? Maar in een ander opzicht stonden Weismann en Spencer dichter bij elkaar dan bij Darwin. De informatie die in geslachtscellen wordt overgedragen is geen volksvergadering van deeltjes die van overal uit het organisme naar de geslachtsorganen zijn gereisd. Weismann meende dat geslachtscellen hun factoren direct erven van de kiemcel waaruit het organisme ontstond. Vanuit die idee kun je je het leven voorstellen als een reeks kiemcellen die geslachtscellen produceren die door versmelting weer nieuwe kiemcellen vormen die weer nieuwe geslachtscellen produceren, enzovoort. Weismann noemde die doorlopende reeks de kiembaan. Uit die kiembaan ontstaat elke generatie opnieuw, als een soort zijweg, het organisme - het soma (lichaam), zoals hij dat noemde. Dit grote thema kende nog wel meer variaties, en er werd flink en levendig over gediscussieerd. Die discussie ging overigens niet primair over de vraag hoe die gemmulae, fysiologische eenheden, factoren, of hoe men ze ook noemen mocht, er in moleculaire termen precies uitzagen, of hoe ze werkten. Die preoccupatie is van later datum. Een belangrijk thema van het debat was de vraag of verworven eigenschappen nu wel of niet langs deze weg aan het nageslacht konden worden doorgegeven. Darwin meende dat dat kon, en zag dat als een der vele mogelijke oorzaken van evolutionaire verandering. Spencer meende niet slechts dat het kon, maar zelfs dat 't hét mechanisme voor evolutionaire verandering was. En Weismann meende dat het uitgesloten was.

De gangbare gedachte nu is dat Weismann gelijk had. Die wordt dus geprezen als een man met diepe inzichten. Zijn kiembaan wordt door velen beschouwd als eerste ontdekking van wat later het onveranderlijke, van generatie op generatie doorgegeven DNA zou worden, en zijn onderscheid tussen kiembaan en soma als voorloper van Cricks 'centrale dogma' van de biologie: er is een stroom van informatie van DNA naar het zich ontwikkelende organismen, maar er gaat géén informatie de andere kant op. Het soma is een doodlopende zijweg van de genetische hoofdweg. Hoe interessant is dit soort gelijk achteraf? Zou je niet net zo goed Spencer kunnen roemen als degene die al vóór Weismann verkondigde dat elke cel in een organisme beschikt over dezelfde genetische informatie - samengebald in zijn 'fysiologische eenheden' - en die dus in die zin het genoom voorzag? En is zijn afwijzing van het idee dat elk kenmerk door een apart deeltje wordt gespecificeerd, niet ook volkomen juist gebleken? En zo zou je Darwin, die men algemeen verwijt dat hij niets van genetica wist, kunnen prijzen als degene die al vóór Weismann inzag dat er een grote verscheidenheid aan erfelijke factoren moeten zijn, en dus in die zin het gen ontdekte. Wie mensen wil eren die vroeger al 'voorzagen' wat wij nu weten, krijgt het druk.

Monstruositeiten

Terug naar De Vries. Die richtte zich meer en meer op onderzoek naar erfelijkheid en evolutie. Eerst verzamelde hij allerlei vormafwijkingen van planten in het veld, later ging hij die 'monstruositeiten' ook kweken en er experimenten mee doen, en hij begon te theoretiseren over hun oorzaak en ontstaan. De Vries' proeven met teunisbloemen vormen zijn bekendste experimentele werk. Ook van deze plant verzamelde hij allerlei verschillende vormen, die hij steeds systematischer begon te kweken en te kruisen. Daarbij constateerde hij allengs een regelmaat in het optreden van ouderlijke kenmerken in opeenvolgende generaties die wij nu allemaal kennen als de inzichten van Mendel. Maar De Vries

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's

VU Magazine 1998 - pagina 254

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's