VU Magazine 1998 - pagina 449
Elite valt er in Nederland nauwelijks nog te bekennen. Weinig intellectuelen durven nog grote visies te formuleren. Aan 'elitaire' voortrekkers is echter meer dan ooit behoefte, aldus politicoloog Hoogerwerf.
H e n k Maassen en Paul Ophey
nog altijd zoiets als een 'afkomstelite': de mensen uit gegoede kringen." Ook de Nederlandse samenleving kent nog steeds zulke elites. "En ze staan relatief sterk", zegt Hoogerwerf. Hij mag dan in de eerste plaats empirisch politicoloog zijn, Hoogerwerf kijkt ook 'normatief' naar elites. De Amerikaanse cultuurhistoricus Christopher Lasch stelde enige jaren geleden vast dat er een kloof is ontstaan tussen een elitaire groep van met talent gezegende, beter gesitueerden en een rest die zo'n tachtig procent van de bevolking uitmaakt. Dat zijn empirische feiten met, zo meent Hoogerwerf, normatieve consequenties. "Met name de culturele elite zou een verheffende functie moeten hebben. Dat is het bekende idee van de Duitse socioloog Mannheim. Die elite is in Nederland - ik generaliseer enigszins weinig of niet als zodanig herkenbaar. Onder een belangrijk deel van de moderne kunstenaars en wetenschappers heerst een vrij cynische instelling. 'Al geestes licht zij aan het zwoegend volk gegeven' dat oude lied, dat mis ik." Daarvoor zijn verschillende oorzaken aan te wijzen, analyseert Hoogerwerf. "De elite, of wat daar voor doorgaat heeft het in de eerste plaats vreselijk druk. Men gaat op in zijn professie, zoals Lasch ook constateert. Daarbij komt: mensen zijn op een steeds kleiner terrein des-
kundig. Er zijn daardoor heel weinig mensen die nog een macrovisie durven te formuleren, ook politieke leiders hebben geen visie op de hoofdlijnen van een toekomstige samenleving. 'We passen op de winkel' of 'als het economisch en technologisch beter gaat, komt de rest vanzelf in orde' - dat zijn veelgehoorde, gemakzuchtige kreten. We hebben een elite van mensen met een beperkte horizon. Hun wereldbeeld is geëconomiseerd. Het is een manier van denken die teruggaat op het werk van Amerikaanse thinktanks, die in de jaren zestig en zeventig op conservatieve en commerciële grondslag opereerden. Zij reageerden op president Johnsons idee van The Great Society - de Amerikaanse variant van de welvaartsstaat - door een ideologie van markt en concurrentie te formuleren." Bad guys
Aan de vorming van de huidige prestatieen positie-elites liggen niet alleen economische, maar volgens de vermaarde Amerikaanse econoom Paul Krugman ook technologische factoren ten grondslag. De invloed van liberalisering en globalisering op werkgelegenheid en inkomensverdeling is, volgens Krugman, gering. Zowel de zwakke arbeidsmarktpositie van laaggeschoolden als de riante inkomens aan de top zijn vooral het gevolg van technische ontwikkelingen.
Machines en software worden goedkoper, daardoor neemt de toegevoegde waarde van routine-arbeid af. De moderne communicatiemiddelen maken het mogelijk grote aantallen mensen tegelijk te bereiken. Het gevolg is dat degene die is uitgerust met unieke capaciteiten - of hij nu manager of sporter is ~ in zijn eentje juist meer toegevoegde waarde kan creëren. Krugman legitimeert daarmee overigens niet de groeiende ongelijkheid. Integendeel, deze nonconformist behoort niet tot het gilde van gespecialiseerde academici waarvan Hoogerwerf vindt dat ze in het huidige, kille, neoliberale klimaat hun morele en kritische taak verzaken. Julien Benda vond dat de intellectuele elite moest opkomen voor gerechtigheid, waarheid en redelijkheid. En Hoogerwerf vindt dat nog steeds: "Dat zijn voor mij fundamentele waarden, aangevuld met vrijheid en solidariteit." Volgens Hoogerwerf heeft het 'hedonistische postmodernisme' een spaak in de wielen van het zindelijke redeneren gestoken. De waarden en normen zijn eruit weggesijpeld. Hoogerwerf: "De hedendaagse politicus heeft niet in de gaten dat er zoiets is als een politiek beschavingsproces dat zijn oorsprong vindt bij Aristoteles; dat in de samenleving, waar het recht van de sterkste heerst, de overheid waakt over gerechtigheid en gelijkheid. Dat wil zeggen, sociaal-economisch bezien houdt ze zich bezig met het vraagstuk van verdeling en herverdeling. Kijk, in het verleden zijn er wel elites geweest die zeer waardegeladen dachten: het fascisme bijvoorbeeld. Maar ook de grote democratische stromingen in de Nederlandse politiek: de christendemocratie, het liberalisme en de sociaaldemocratie kenden tot in de jaren vijftig een manier van denken en spreken die principieel is te noemen. Dat is veranderd in een denken in termen van doeleinden en middelen ~ wat zonder twijfel noodzakelijk is in de politiek, maar niet de overhand mag krijgen. Die houding is op zijn beurt weer veranderd in 'doelmatigheidsdenken'. Daarom moeten mensen die een bewuste moraliteit voorstaan hun mond nu opendoen. Hoe? Door in de
wcs NOVEMBER/DECEMBER 1998
73
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998
VU-Magazine | 492 Pagina's