VU Magazine 1998 - pagina 358
zij noteerden: de nacht viel door de ramen van ons instituut maanlicht streek over de jonge borsten van onze vrouwelijke proefpersoon en ja, de door haar hersencellen aangedreven apparaten zuchtten en in onze microscopen zagen we in de moleculen melkwegen van verlangen wij zoeken nog naar de juiste
formules
aldus enkele opgetogen, onbedoeld citaten uit hun verslag
lyrische
Duidelijk is dat dr Rudy van den Hoofdakker en diens alter ego Rutger Kopland aan weten niet genoeg hebben. Zij zijn niet de enigen. En misschien had Kopland tijdens zijn eerder gememoreerde gastschrijverschap aan de Groninger universiteit eind vorig jaar, wel daarom dichters ter discussie uitgenodigd die net als hij de combinatie wetenschap & poëzie vertegenwoordigen. Zo besprak hij het werk van, en debatteerde hij publiekelijk daarover met achtereenvolgens Esther fansma (archeologe). Frank Koenegracht (psychiater), K. Michel (pseudoniem van de filosoof M. Karskens], Tonnus Oosterhoff (psycholoog) en Martin Reints (neerlandicus). De desbetreffende bijdragen van Kopland en zijn gesprekspartners zijn gelukkig voor het nageslacht bewaard in de bundel 'Mooi, maar dat is het woord niet'.
siert hem dus ook als hoogleraar biologische psychiatrie, de wetenschappelijke discipline die hij beoefende tot hij een paar jaar terug met emeritaat ging. Voor hem is het nog maar de vraag wie dichter bij de waarheid is, de wetenschapper of de poëet, getuige bijvoorbeeld het gedicht 'De laatste bevindingen' dat in zijn jongste bundel 'Tot het ons loslaat' is opgenomen:
De deskundigen uit Koplands 'laatste bevindingen' hadden geen verschillen gehoord of gezien. Datzelfde geldt voor de 'ik' uit een gedicht van Lucebert dat Kopland als argument aanvoert om de stelling te staven dat er tussen de wetenschappelijke en de poëtische benadering niet zo gek veel verschil steekt:
Er waren zoals we dachten te weten twee werelden • de echte en die andere
ik tracht op poëtische wijze dat wil zeggen eenvouds verlichte waters de ruimte van het volledige leven tot uitdrukking te brengen
dit onderscheid is onlangs hij nader onderzoek een overbodige illusie gebleken, deskundigen hebben in menselijke hersenen gezocht en geen verschillen gehoord of gezien integendeel, wat zij vonden was met geen pen te beschrijven, zo ongelooflijk eenvoudig zo mooi
In zijn bespreking van de poëzie van Reints gaat Kopland expliciet in op het probleem van de verbeelding van de werkelijkheid in respectievelijk de wetenschap en de dichtkunst. De taal waarin deze door beide wordt verwoord, speelt echter de hoofdrol. We vragen ons steeds opnieuw af "waar het dan toch over gaat in die taal", zegt Kopland, "om telkens en telkens weer tot de conclusie te komen dat het niet over de echte wereld gaat. Naar een taal die dat wel doet wordt voortdurend gezocht, zonder resultaat." Het zicht op de werkelijkheid wordt door de taal belemmerd, zoals de eerste wolken van de dag de sterrennevels, nog voor ze goed en wel te zien waren, aan het oog van de astronoom onttrekken in het gedicht 'Zonsopkomst' van Martin Reints:
54
wcs
SEPTEMBER/OKTOBER
1998
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998
VU-Magazine | 492 Pagina's