VU Magazine 1998 - pagina 249
voortkomt uit de vrees dat met het sterven de dood definitief is. Daar wordt weinig over gesproken, maar ik ben ervan overtuigd dat het een rol speelt. "Ik ben optimistisch over de ontwikkelingen in de geneeskunde. We gaan de goede kant op. Maar voor het zover is dat psychiaters en andere geneeskundigen in staat zijn hun medische beroepsidentiteit te herformuleren en die ook nog eens aan de samenleving duidelijk te maken, zijn we al een heel eind verder."
"Ik ben er tegen dat een arts of psychiater zich hulpverlener noemt en men in dat verband voortdurend spreekt over hulp en zorg." Heeft de geneeskunde zich de brede bevoegdheden ook niet gemakkelijk laten aanleunen omdat het zo vleiend isl "Bij veel artsen speelt het verlangen een goed mens te zijn. Het is prettiger om een goed dan een slecht mens te zijn. Het bieden van hulp leidt, wanneer het goed is, tot dankbaarheid. Veel mensen zijn verslaafd aan dankbaarheid en bevestiging. Ik ben er een groot tegenstander van dat een arts of psychiater zich hulpverlener noemt en dat men in dat verband tegenwoordig voortdurend spreekt over hulp en zorg. Hulp is het overnemen van een taak die een ander niet kan verrichten. Dat is niet iets wat artsen doen. Artsen stellen een diagnose en voeren een behandeling uit. "Ik vermoed dat de behoefte aan dankbaarheid iets te maken heeft met de afgenomen sociale status van artsen. Wanneer de bevrediging niet langer geput kan worden uit de status van notabele en de bewoning van het mooiste huis in het dorp, kun je verwachten dat ze de bevrediging uit het hulpconcept gaan halen. Het is ongetwijfeld zo dat mensen die behoefte hebben aan dit type bevrediging, zulke vakken kiezen. Het wordt dan
des te belangrijker om bewust te zijn van de eigen grenzen en te weten dat het absoluut niet relevant is of patiënten dankbaar zijn. Het is uiteraard leuk wanneer dat het geval is, maar je mag er niet op aansturen. Soms moet je patiënten confronteren met de feiten, ze boodschappen geven die niet prettig zijn." Aanhangers van euthanasie zeggen ook altijd uitdrukkelijk dat ze hulp vallen bieden en het verlangen van de patiënt willen respecteren: alsof ze geen nee durven zeggen. "Wat ik altijd heel erg vind is dat dit alles zich afspeelt in sessies waarbij de kaarsen branden, mooie muziek te beluisteren valt, en iedereen een brok in de keel heeft. De uitvaart vindt al plaats tijdens het sterven. Na afloop beschrijft iedereen zich high te hebben gevoeld. Ik vind dat werkelijk levensgevaarlijk. Het verleidt een mens tot dingen die hij niet moet doen. Met een jargonwoord uit de psychoanalyse heet dat 'tegenoverdracht': dat betekent dat je in zo'n situatie emoties en drijfveren legt die niet zozeer met de situatie zelf te maken hebben, maar met je privé-behoeften. Daar bestaat echt onvoldoende aandacht
Eigenlijk zouden artsen zich vaker impopulair moeten durven makenl "Dat vind ik wel. Ik vind het beroep van arts belangrijk en ben ervoor dat de status van het vak hoog blijft en een passende beloning krijgt. Maar voer daar dan een openlijke strijd over. Niet ieder specialisme in de geneeskunde leent zich ook even goed voor populariteit en dankbaarheid. Wie daaraan hecht kan beter een specialisme kiezen met betrekkelijk eenvoudige ingrepen die weinig kwaad kunnen. Oogartsen krijgen veel kadootjes. Voor de kadootjes had ik natuurlijk nooit psychiater moeten worden."
Fotografie: Lenny Oosterwijk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998
VU-Magazine | 492 Pagina's