VU Magazine 1998 - pagina 264
TT
Fosfor is een stof waarvan de spectaculaire capaciteit om licht op te nemen en vervolgens in het duister weer uit te stralen, in de zeventiende eeuw werd ontdekt. Wetenschappers werden gebiologeerd door het etherische licht dat de stof verspreidde. Zo werkte het verschijnsel ook op de verbeelding van Robert Hooke. Volgens deze toenmalige geheugenonderzoeker zouden de menselijke hersenen de stof bevatten om zoiets als een visueel geheugen mogelijk te maken. Fosfor is eigenlijk geheugen voor licht. Geen wonder dus dat het spul, spoorsgewijs aanwezig in ons voedsel, volgens sommigen een lucide geest b,ö««l<:stelligt. •<^hmgensteunen en ezelsbruggen helpen ons op een oneigenlijke manier dingen te onthouden die we anders zouden vergeten. Die ellendige lijstjes met Duitse woordjes bijvoorbeeld, blijven beter hangen wanneer we ze er op de maat van Germaanse marsmuziek instampen. Dankzij een soortgelijke, op de lagere school klassikaal toegepaste methode weten we nu nog dat 2 maal 2 4, en 6 maal 5 30 is. En wie moeite heeft met namen, onthoudt ze beter door ze bewust te associëren met iets opmerkelijks aan het uiterlijk van de desbetreffende persoon. Meneer Knor heeft een snor... voila. Wel oppassen! Overigens: knopen in zakdoeken zijn ongeschikt als geheugensteun. Het enige waaraan die ons herinneren is dat we iets niet moeten vergeten. Maar wat ook weer?
32
wcs
JULI/AUGUSTUS
1998
'Heririheringen zijn subjectieve creaties en daardoor unieker en menselijker dan het hebben van zomaar een geheugen is. Zonder geheugen zou Pavlovs hond niet hebben gekwijld. Maar het beest herinnerde zich niet waaróm het kwijlde. Pavlov wel! De geschiedenis van de mensheid begint niet bij het ontstaan van een geheugen, maar bij dat van de herinnering. Herinneringen, schreef William fames ruim een eeuw geleden, maken deel uit van een persoonlijk verleden; zij hebben de warmte en de identiteit die ze tot een persoonlijke ervaring maken. Een herleving van een bepaalde ervaring is niet genoeg. Zij moet gepaard gaan met het besef dat het een onlosmakelijk deel van onszelf is geworden,- zij moet - letterlijk opnieuw verinnerlijkt worden. Herinneringen zijn psychofysische verschijnselen, wist James, waarin lichaam en geest een uniek verbond aangaan. Hier is niet de vraag aan de orde of het nu wel of niet juist is dat James lichaam en geest op zo'n ouderwetse wijze als gescheiden eenheden beziet. Hier is aan de orde het standpunt dat de mens zich niet door het bezit van een geheugen, maar door zijn herinneringen onderscheidt van het dier, dat het wellicht met alleen een 'impliciet geheugen' (zie aldaar) moet stellen. Voor dat standpunt valt iets te zeggen. Alleen de mens is in staat al terugblikkend vooruit te zien, en daardoor aan ethiek te doen, aan cultuur, geschiedenis, aan politiek, daarbij vooruitgang te boeken en - hoe bescheiden ook - van het verleden te leren. Dankzij ^ herinnering.
ipliciet heet dat deel van ons geheugen waartoe wij raet ons bewustzijn zelf geen toegang hebben. Om die reden was niemand er misschien ooit achter gekomen dat wij over zo'n impliciet geheugen beschikten, als niet uit experimenten was gebleken dat patiënten met een nagenoeg totaal defect geheugen - mensen die bij wijze van spreken zelf allang niet meer wisten hoe ze heten, laat staan wie ze waren - toch in staat bleken te leren, al wisten ze naderhand niet meer van wie. De Zwitserse psychiater Claparède bedacht in 1911 een wel heel gemene
truc om aan te tonen dat het impliciete geheugen intact blijft als het expliciete geheugen niet langer functioneert. Tijdens een van zijn ochtendrondes legde hij een punaise in de palm van zijn rechterhand en stak die vervolgens uit naar een ernstig geheugengestoorde patiënte die de hand schudde. De volgende morgen weigerde dezelfde patiënte dokter Claparède een hand te geven, ook al wist ze absoluut niet meer waarom. Het impliciete geheugen speelt waarschijnlijk ook een rol bij de meest verbijsterende geheugenervaring die we kennen: het déja vu. Zie ook de P van iming. kcquard's weefstoel stond model bij een iegentiende-eeuwse pogingen om een 'machine met geheugen' te vervaardigen. Naar analogie van het voornoemde weeftoestel, dat met behulp van een soort ponskaarten voorgeprogrammeerde patronen kon weven en blijven herhalen, meende Charles Babbage een analytical engine te kunnen creëren, die getallen en symbolen zou kunnen verwerken. Van een werkend prototype is het echter ïekomen. ïiitlistgeheugens zijn in zwang sinds de mens voor het eerst een boodschap in een rots kraste. Dat was een uitbreiding van het eigen, sterfelijke geheugen, die bovendien toegankelijk zou zijn voor anderen, zelfs lang nadat de boodschapper zelf was verdwenen. De ontwikkeling van kunstgeheugens raakte in een stroomversnelling toen het eerste papyrusblad met datzelfde oogmerk werd geplukt. Zo werd de boodschap draagbaar en in staat gesteld niet alleen de tijd, maar ook de ruimte te overbruggen. Douwe Draaisma laat in zijn terecht bekroonde boek 'De metaforenmachine', zien wat de gevolgen zijn geweest van de uitvinding van kunstgeheugens als fotografie, cinematografie en dergelijke, voor het denken over het menselijk geheugen. Zo heeft men het mysterie van de herinnering trachten te verklaren door het geheugen voor te stellen als onder andere een wastablet, lei, boek, bibliotheek, fotoarchief of videotheek. Het merkwaardige is dat er voor slechts twee van de vijf zintuiglijke waar-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998
VU-Magazine | 492 Pagina's