VU Magazine 1998 - pagina 57
disc-apparatuur willen hebben die we nooit eerder gemist hebben." Ik herken dat, ik denk aan mijn moeder, met haar Rudi, ik herken het aan mijzelf, en ik weet nu ook hoe dat komt. "De verklaring hiervoor is", gaat Frijda verder, "dat stelwaarden verschuiven, aanpassingsniveaus omhoog gaan." Inderdaad, wat ik al begreep vond ik niet leuk meer, het genot van het begrijpen was dan voorbij, het onbegrepene, dat was genot. Zo herinner ik mij dat ik een mij onbekende, onbegrepen speelgoedauto kreeg. Punktionslust doorzinderde mij. Het genot van het opwinden, het genot van het loslaten na deze opwinding. Maar ook de onlust als de auto tegen een tafelpoot botste. Waarom, waarom reed deze auto niet net als een gewone auto om die tafelpoot heen? Ja, mijn jeugd had ook zijn moeilijke momenten, vooral toen ik ontdekte dat mijn auto nooit zou kunnen wat ik wilde. Zelfs mijn vader kon het die auto niet leren. Later, veel later, heb ik speelgoedauto's gezien die niet botsten. Ze waren met een ontvangertje uitgerust. Ze luisterden naar hun meesters die met een zendertje instructies gaven. Rillingen van genot om dat te zien en te begrijpen. Ik zat dus op schoot bij mijn moeder. Op het harmonium stond het liederenboek: 'Kun je nog zingen, zing dan mee!' Toen ik zingen kon, zongen mijn moeder en ik, onder begeleiding van mijn vader, het liedje: 'Klein vogelijn' van Dr. f.P. Heije. Klein Vogelijn, op groenen tak, wat zingt g'een lustig lied! Wij hebben in ons hele boek zoo'n vroolijk wijsje niet! O zeg ons, zeg ons, aardig beest, wie toch uw meester is geweest. O zeg ons, zeg ons, aardig beest, wie toch uw meester is geweest. Zoo zuiver zingt gij en zoo hoog, zoo keurig in de maat, en 't hart dat popelt ons van vreugd, wanneer uwkeeltje gaat. O, zeg ons, zeg ons, aardig beest, wie toch uw meester is geweest. O, zeg ons, zeg ons, aardig beest, wie toch uw meester is geweest. Op dit inoment was er, zoals u begrijpt, een vrolijke spanning ontstaan. Wie, o wie, zou die meester zijn? En dan kwam het; Voorzeker 't is de goede God! die 't u heeft toebetrouwd, opdat gij aan der blinden oor zijn goedheid melden zoudt. O ja, wij weten 't, aardig beest, dat God uw meester is geweest! O ja, wij weten 't, aardig beest, dat God uw meester is geweest!
Dan was het liedje uit. De schoot waarop ik zat viel stil. Het harmonium zuchtte nog een keer, en zweeg. Dat moment. Ik weet niet meer wat er met mij gebeurde, maar nu, nu ik lezen kan, kan ik het mechaniek van dit lustvolle moment enigszins reconstrueren. Funktionslustl Jazeker, ik kon zingen en zong mee. En verder: mijn stelwaarde kwam overeen met een geslaagde assimilatie, ik bedoel met het bereiken van een match tussen de invoer en een interne representatie. Huiselijk gezegd, wilde ik weten wie dat vogeltje zo'n lustig liedje geleerd had en ik begreep dat dit God was. Zo werd God in mij een interne representatie, een meester die vogeltjes zingen leerde. Je kon deze meester niet zien, maar dat was omdat de blinden alleen maar oren hadden en daarom kon je hem horen, wat niet het geval geweest zou zijn als hij dat vogeltje niet had leren zingen. Maar er moet ook nog iets anders aan de hand geweest zijn. Mijn nieuwe inzichten resulteerden niet uit een prozaïsch vraaggesprek: vader, wie heeft dat vogeltje leren zingen? God, mijn jongen. Zij moeten hebben geresulteerd uit het gezamenlijk zingen van dat liedje. Ik beleefde een literaire gebeurtenis! Ik moet een esthetische emotie hebben ondergaan. De esthetische emotie bestaat urt twee componenten, zoals u wellicht uit eigen ervaring eigenlijk wel weet. Om uw ervarings-deskundigheid wat op te frissen citeer ik maar weer Frijda. Hij zegt daar mooie dingen over. De componenten zijn: "emoties zoals verdriet, vreugde, opwinding, spanning", die opgeroepen worden door vorm of inhoud van het object, "een natuurverschijnsel, een kunstwerk", en "emoties zoals geraakt zijn, fascinatie, genoegen, bewondering, ontroering", die worden opgewekt door de "kwaliteit" van het object, en hij vergelijkt die laatste emoties met de gevoelens die "een meesterlijke schaakzet, een elegante technische oplossing, een knappe zinswending" oproepen. Ik denk dat hij bedoelt: het fluiten van een vogeltje kan vreugde en verdriet oproepen, maar dat kunnen zoveel natuurverschijnselen; esthetisch worden emoties door de manier waarop het fluiten van een vogeltje bezongen wordt. Ik raakte betoverd door de knappe zinswendingen van Dr. J.P. Heije, en de verrukkelijke harmonieën, die naar ik later begrepen heb, gecreëerd werden door de heer W. Smits. Hoe gaat dat? Volgens Preud "roept kunst langs associatieve weg latente en meestal problematische verlangens op, die op die manier in de fantasie bevredigd en tot op zekere hoogte verwerkt kunnen worden. Denk maar aan het effect dat een lied over verlies kan hebben op iemand die een ernstig verlies heeft geleden." De inhoud geeft verdriet, activeert onvervuld verlangen, maar als de inhoud kunstzinnig is vormgegeven, wordt het lied 'mooi'. "De formele aspecten van kunst zouden dan dienen om een te sterke opwekking van de latente verlangens tegen te gaan, of de erdoor veroorzaakte frustratie af te zwakken." Het mooie is mooi omdat het een latent, onvervuld verlangen wekt en bevredigt op een veilige manier. Het lied roept gemis op, eventueel een verborgen, verboden, verdrongen gemis, maar het is veilig, want het is het lied dat
wcs
JANUARI/FEBRUARI
1998
57
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998
VU-Magazine | 492 Pagina's