Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1998 - pagina 284

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1998 - pagina 284

5 minuten leestijd

mede beïnvloed werd door wat Nederland toen politiek wenselijk vond. Daarvoor zou de publieke opinie (hij bedoelde die in Nederland, neem ik aan) toen handelingen hebben geaccepteerd, waarvoor men nu als oorlogsmisdadiger zou worden veroordeeld. Hij meende zelfs dat Colijns politieke carrière geen schade zou hebben opgelopen als meteen al bekend was geweest wat hij op Lombok had gedaan. Vijandelijk lood

Opvallend was dat menig historicus het deed voorkomen of dergelijke praktijken indertijd gewoon in de krant stonden. Bronvermeldingen ontbraken helaas. Bossenbroek kwam niet verder dan enkele passages uit een twee jaar na de strijd door genie-kapitein Cool gepubliceerd boekje over Lombok, die zijns inziens "weinig te raden" overlieten. Maar of iemand toen publiekelijk juist geraden heeft, vernemen we niet (laat staan wat hem of haar toen overkwam). Wat feitenmelding betreft kwam het weekblad Eigen Haard, in het oudejaarsnummer van 1894 niet verder dan dat in Tjakra "zelfs de vrouwen en kinderen een lansaanval deden op onze troepen". Onvermeld bleef hun lot bij overgave. Wel rapporteerde Eigen Haard dat eerder in het Lombok-jaar een in een hopeloze positie geraakte eenheid onder leiding van NiL-kapitein Lindgreen zich overgaf en daarna van de Radja een vrijgeleide naar de kust kreeg. Dat klopte niet met een eerdere bewering in een ander artikel dat hen een onvermijdelijke dood wachtte "hetzij door het vijandelijk lood, door gebrek of door de martelingen hunner bloeddorstige tegenstanders". Eigen Haard loste het probleem op met een laconieke voetnoot: "Het ongewone verschijnsel dat een inlandsche vijand zijne gevangenen niet doodmartelt was toen nog niet te voorzien." Of we er ooit zouden achterkomen wat zich precies had afgespeeld, betwijfelde het blad overigens al aan het eind van het Lombok-jaar 1894: "... de offlcieele waarheid heeft dit met alle waarheden gemeen dat zij niet absoluut, volgens sommigen zelfs de minst absolute van alle is!" Propaganda-mythe

De opschudding rond Colijns oorlogsmisdrijven een eeuw geleden heeft nut. Nederland leerde een aantal van zijn huidige historici beter kennen en dat kan geen kwaad bij de Haagse trend om nieuwe hete hangijzers (Srebrenica) voor onbepaalde tijd aan geschiedvorsers in bewaring te geven. Heilzaam is verder de schrik voor het risico van de schandpaal, (Puchinger, Bank) indien latere historici ontdekken dat belangwekkende gegevens uit de documenten zijn verzwegen, dan wel over het hoofd gezien. Onthutsend was te zien op welk niveau de propaganda-mythe nog voortleeft dat de oorlogen in Atjeh en op Lombok een gevolg waren van 'opstanden' tegen het Nederlands gezag, terwijl het gewone veroveringsoorlogen waren. Zelfs RIOD-

52

wcs

JULI/AUGUSTUS 1998

directeur Blom sprak in NOVA van "een opstand, die moest worden onderdrukt" en "daarvoor was zulk hard optreden noodzakelijk", legde hij uit. Maar de voornaamste vrucht van het rumoer was wellicht de twijfel hier en daar of honderd jaar geleden echt andere morele maatstaven golden. Een vluchtige verkenning in enkele bladen en kranten uit die tijd leert dat de onderzoeker op dit punt nauwelijks in het duister behoeft te tasten. Niet alleen in wetten, maar ook in preken en protesten legt de mens vast wat volgens hem niet door de beugel kan. Vindt een normoverschrijding plaats in eigen kring, dan probeert hij de kwestie nogal eens achter de schermen op te lossen (het protest van NiL-officier Fanoy uit de jaren 1902/1903 is daarvan een voorbeeld), maar bij wandaden in andere kringen gaan - niet alleen in Nederland - de vingertjes omhoog, indien de vermeende wandaad al niet van de daken is geschreeuwd. Voor het opsporen van de morele maatstaven in een bepaalde tijd is dat handig. Vooral van pot-en-ketel-discussies kan de historicus veel gemak hebben omdat deze tevens aangeven in welke kringen iets verwijtbaar werd geacht. Opgeheven vingertjes, verontwaardigde ontkenningen, tegenbeschuldigingen van het genre: "kijk naar jezelf", oorlogspropaganda, en activiteiten op het gebied van de public relations werpen een helder licht op de morele maatstaven van een bepaalde tijd. Het Europese imperialisme eind vorige eeuw biedt wat dit betreft een schat aan gegevens, vooral omdat in Zuid-Afrika blanken ook onderling slaags raakten. Voor Nederlandse historici biedt verder de Atjeh-oorlog een rijke bron. Wat we daarover reeds weten, danken we overigens niet aan een van overheidswege ooit aan een historicus verstrekte opdracht, maar aan de journalist Paul van 't Veer, die in 1969 een degelijke studie over de Atjeh-oorlog publiceerde. Het onafhankelijke Atjeh werd op 26 maart 1873 door Nederland de oorlog verklaard. Het zou de grootste oorlog worden, ooit door Nederland gevoerd, met meer dan 100.000 doden. De opening van het Suezkanaal in 1869 had alles met deze oorlog te maken. Voortaan voeren de stoomschepen naar Singapore, Batavia en verder via de straat van Malakka, dus was het van belang daar de baas te worden voordat een andere Europese mogendheid (Engeland) onder een al dan niet vroomklinkend voorwendsel Noord-Sumatra wilde overweldigen.

Overhaaste v r e d e b r e u k

De jonge predikant Abraham Kuyper vond Nederlands aanval onrechtmatig, zo bleek uit zijn maiden speech in de Tweede Kamer, die achter gesloten deuren (!) de oorlogsverklaring besprak. Hij was niet de enige onder de aanhangers van Groen van Prinsterer die zo dacht. Zo kon Standaard-abonnee Esser uit Den Haag in juli 1876 maar geen antwoord vinden op de vraag of wij "recht hebben om van vorsten, waartegen wij thans strijden, ons nauwelijks

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's

VU Magazine 1998 - pagina 284

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's