VU Magazine 1998 - pagina 255
had op school geen 'Mendel' gehad. Pas bij uitgebreider bibliotheekonderzoek stuitte hij op een publicatie uit 1866 van deze monnik uit Brno. Mede daardoor kennen wij De Vries - als we hem al kennen - nu allereerst als 'de herontdekker van de wetten van Mendel', maar die herontdekking moet hij delen met de Duitser Coirens, en de Oostenrijker Tscheimak von Seysenegg, en wie weet met nog hoeveel anderen. Mendel is minstens zo vaak ontdekt als de boekdrukkunst. In zijn theoretische werk ging De Vries uit van Darwins ideeën, zij het met de nodige wijzigingen. Darwin nam terecht aan dat er veel verschillende genetische factoren zijn, en ook dat die factoren overal in het lichaam voorkomen. Maar voor dat laatste hoefde je niet aan te nemen dat ze vrijelijk door het lichaam bewegen. Het was minstens zo simpel om aan te nemen dat alle factoren in elke cel aanwezig zijn. Om die overgang te kunnen maken moest je natuurlijk wel aannemen dat de 'lamarckiaanse', maar ook door Darwin en Spencer aanvaarde, erfelijkheid van verworven eigenschappen onmogelijk was. De Vries noemde zijn erfelijke deeltjes 'pangenen', naar Darwins pangenesehypothese. Maar om het verschil met Darwins idee aan te geven noemde hij zijn eigen theorie 'intracellulaire pangenese': zijn pangenen bewegen zich niet extracellulair, van cel tot cel, maar alleen intracellulair, binnen de cel, vanuit de kern, waar ze allemaal netjes bij elkaar worden bewaard, naar het celplasma, waar ze hun werk doen. Bij de celdeling worden al die in de kern bewaarde deeltjes verdubbeld. Nieuwe eigenschappen ontstaan doordat die verdubbeling, of deling, niet helemaal netjes verloopt: er treedt dan een 'mutatie' op en die term vormt De Vries belangrijkste bijdrage aan de moderne biologie. De Vries' mutaties zijn relatief grote, sprongsgewijze, veranderingen. Achteraf is, deels ook door zijn eigen latere werk, duidelijk geworden dat De Vries' teunisbloemenonderzoek niet echt aantoonde wat hij had willen aantonen. Experimentele uitkomsten zijn in de wetenschap wel vaker vooral inspiratiebron.
De Vries' mutatietheorie deed heel wat stof opwaaien: "Voor selectionisten, lamarckisten en de aanhangers van de orthogenese was de mutatietheorie onacceptabel", schrijft Zevenhuizen. De nieuwe vormen die De Vries door mutatie zag ontstaan, waren zo anders dat hij ze als aparte soorten beschreef. Hier trad dus, zo leek het, soortvorming door mutatie op. De Vries dacht zelfs dat dit de enige manier was om nieuwe soorten te krijgen. En dat zinde de selectionisten niet, want die meenden dat nieuwe soorten ontstaan door een opeenstapeling van geleidelijke veranderingen als gevolg van natuurlijke selectie. Tegenwoordig zouden we zeggen dat de selectionisten grotendeels gelijk hadden, en dat De Vries' nieuwe soorten, voorzover daarvan al sprake was, aan een zeer uitzonderlijk soortvormingsproces ontspruiten. De lamarckisten hielden nog even vast aan het idee dat verworven eigenschappen erfelijk kunnen worden, wat onmogelijk zou zijn als De Vries' mutatiemechanisme hét evolutieproces bij uitstek was. In zekere zin hadden ook de lamarckisten gelijk: verworven eigenschappen zijn soms wel degelijk erfelijk in de zin waarin men dat woord aan het eind van de negentiende eeuw gebruikte, namelijk dat ze op het nageslacht kunnen overgaan. Dat geldt bijvoorbeeld voor culturele innovaties. En de enige reden dat die nu vaak juist niet 'erfelijk' worden genoemd is dat biologen bij erfelijkheid onmiddellijk en uitsluitend denken aan overdracht via DNA. Alleen de orthogenetici, die geloofden in een 'voorgeprogrammeerde' verandering - een inherente neiging van organismen om in één bepaalde richting te veranderen - hebben het pleit voorlopig écht verloren. Al waren De Vries' mutaties dan geen mutaties in de moderne zin des woords, zowel zijn mutaties als die moderne zijn 'toevallig', en ongericht.
dat wat je ontdekte al eerder door een ander ontdekt werd, een grootscheepse herdenking rechtvaardigt dat toch nauwelijks. Hij heeft het denken over mutaties, over veranderingen van genetische factoren, een impuls gegeven. Maar het idee dat de stoffelijke dragers van erfelijke eigenschappen - preciezer gezegd: van die erfelijke eigenschappen die een in het organisme gelegen stoffelijke drager hebben - veranderen, vinden we bij Darwin en Spencer ook al. Bovendien dichtte De Vries mutaties een invloed toe die ze niet hadden. Gevallen waarin mutaties (hoe ook opgevat) in één stap tot een nieuwe soort leiden, zijn zeldzaam. Het kostte jaren voor de mutatieverwarring die De Vries zaaide, weer was opgelost. Jaren van proefnemingen, discussies, en moeizame theorievorming. Uiteindelijk leidde dat alles samen tot een nieuwe versie van Darwins evolutietheorie, en een nieuwe genetica waarvan Mendels wetten een bijzonder geval vormen. Of De Vries die ontwikkeling met zijn gewaagde ideeën heeft versneld dan wel die met zijn dwaalsporen vertraagd, is nauwelijks vaststelbaar. Hij droeg hoe dan ook iets bij, dus laten we hem gedenken. Maar inderdaad, een boekje dat voornamelijk over andere dingen gaat, is achteraf gezien wellicht zo'n slecht idee nog niet.
Naar aanleiding van Marian Schilder en Max Lebouiile (redactie): 'De evolutie de baas - Oude en nieuv/e visies op soortvorming en gentechnologie', Vossiuspers A U P .
Fotografie: Rene Koster.
Impuls
Hoe belangrijk maakt dit alles De Vries nu eigenlijk? Hij heeft Mendel herontdekt, maar dat deden een aantal anderen ook. En hoe verdienstelijk het ook is om aan te geven
wcs
JULI/AUGUSTUS
1998
23
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998
VU-Magazine | 492 Pagina's