VU Magazine 1998 - pagina 345
De kritiek op het IQ als maat voor intelligentie is niet van vandaag of gisteren. De misschien meest interessante, en in ieder geval meest tragische criticus is de grondlegger van de intelligentietest zelf, Alfred Binet (1857-1911). Binet - zo beschrijft Stephen fay Gould in zijn boek 'De mens gemeten' (Contact) - kreeg in 1904 van de Franse minister van onderwijs de opdracht om een methode te ontwikkelen om leerlingen te identificeren met dermate slechte schoolprestaties dat speciaal onderwijs geboden was. Binet ging direct aan de slag: hij stelde een groot aantal korte opdrachten samen die te maken hadden met alledaagse problemen (tellen van munten bijvoorbeeld), uitgaande van
dat gedurende een mensenleven niet noemenswaardig groter of kleiner scheen te worden, ook daadwerkelijk was vastgelegd in de menselijke persoonlijkheid. Het IQ als iets dat erfelijk bepaald is en
Grondlegger een oplopende moeilijkheidsgraad. Hij ontwikkelde een schaal waarmee hij hoopte de algemene vaardigheid van een kind te kunnen vangen in één getal. Aldus wilde hij de geestelijke leeftijd van een kind vaststellen, om vervolgens te kunnen bepalen of het eventueel voor speciaal onderwijs in aanmerking kwam. Later is door de Duitse psycholoog W. Stern de geestelijke leeftijd gedeeld door de werkelijke leeftijd van het kind: de geboorte van het intelligentie-quotiënt. Zelf had Binet echter nooit de bedoeling gehad met de door hem geconstrueerde schaal ook maar iets te zeggen over intelligentie. Meer pretenties dan een beperkt hulpmiddel te ontwikkelen met het oog op een praktisch doel, had hij niet. Wat we intelligentie noemen, vond hij, is zo ingewikkeld dat het niet uit te drukken valt in een simpel getal. Iemands lengte is ondubbelzinnig meetbaar, met intelligentie ligt dat moeilijker. "Op de keper beschouwd zegt de schaal niets over de mate van intelligentie, omdat intellectuele kwaliteiten niet optelbaar zijn en daarom niet gemeten kunnen worden zoals lineaire oppervlakken", merkte hij op in 1905. Binet verzette zich ook krachtig tegen de sociale gevolgen van het kwantificeren van intelligentie. Veel van zijn tijdgenoten en opvolgers dachten dat intelligentie, vastgelegd in een getal
wcs
daardoor in wezen weinig veranderlijk. Binet was zeer bevreesd voor de etiketterende waarde die van het IQ zou kunnen uitgaan; dat degene die laag zou scoren als een dom persoon zou worden behandeld, als iemand aan wie je in het onderwijs zo weinig mogelijk aandacht moet besteden. Het etiket zou voor onderwijzers een excuus vormen voor verwaarlozing, waarmee de voorspelling van de domheid van een leerling zichzelf zou waarmaken. Binet: "Dan gedraagt men zich precies hetzelfde als de grafologen die in Dreyfus' handschrift de tekenen van een verrader of een spion ontdekten, toen men meende dat hij schuldig was." In wezen was Binet een optimist. Voor hem was intelligentie stimuleerbaar, zeker ook bij degenen die in ieders ogen hopeloos dom lijken. Natuurlijk wist hij ook wel dat van minder begaafden geen genieën te maken valt - zo naïef was hij nu ook weer niet maar dat ieder kind voor intellectuele verbetering vatbaar is, daarvan was hij heilig overtuigd. Veel van zijn opvolgers die de iQ-test verder ontwikkelden, dachten daar evenwel anders over. De test werd soms voor precies het omgekeerde doel gebruikt als waarvoor hij ontwikkeld was. Binet had krachten in het leven geroepen die hij zelf niet meer kon beheersen. De geest was uit de fles. (KN)
SEPTEMBER/OKTOBER 1998
41
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998
VU-Magazine | 492 Pagina's