VU Magazine 1998 - pagina 134
(niet te verwarren met de evangelische studentenbeweging van die naam), dat zijn het type activiteiten en groepen waaraan we moeten denken. Het zijn doorgaans bewegingen met een charismatische praktijk en theologie, een uitdrukkelijk nietformele, dus niet-hiërarchische, democratische structuur, en een moderne taakgerichte organisatie (vaak in taakteams, voor vieringen bijvoorbeeld, of voor dienst aan de samenleving, als hulp in verarmde buurten). Aan die stroming kunnen we ook het verschil en de overeenkomst met de Nieuwe-Tijdsreligiositeit aflezen. De twee bewegingen kan men als antipoden zien; zo beschouwt men elkaar ook wel. En daar is alle reden voor. Als we alleen al bedenken dat in het evangelicalisme de oriëntatie op het zelf juist vervangen moet worden door oriëntatie op God en dat de bijbel en de Heilige Geest het absolute gezag vormen, terwijl in New Age het met kosmische energieën meeresonerend menselijk gezag voorop staat, dan is dat verschil enorm; althans op inhoudelijk vlak, dat van de religieuze ideologie. En toch zijn er verbluffende overeenkomsten tussen beide bewegingen. Beide zijn gekleurd door de tegencultuur van de jaren '60. Zo worden in beide bewegingen niet-formele omgangsvormen gecultiveerd en is er eenzelfde soort kritiek op de westerse, 'materialistisch-hedonistische' cultuur. Bij beide hoor je ook dat de westerse cultuur out of control is. En ofschoon de aard van het gevoel van een diepgaande crisis van 'de wereld' sterk kan verschillen, bij de één een meer direct optimistische, bij de ander een meer fatalistische kleur aanneemt, binnen beide bewegingen komt het geloof veel voor dat onze tijd op haar eind loopt. Dat is te interpreteren als een insnijdende vorm van cultuurkritiek. En men ontkomt er bijna niet aan om ook eenzelfde soort motieven en functies achter dit eindtijdgeloof te vermoeden. Het verlangen bijvoorbeeld naar de continuïteit van de wereld, of, zoals men ook zou kunnen zeggen, het verlangen zich de symbolische onsterfelijkheid van de mensheid voor te stellen. En ook zal er de behoefte zijn om in de chaotische veranderingen van de tijd toch een letterlijk door het einde teweeg gebrachte samenhang te ontwaren. Had overigens het 'oude' evangelicalisme een zekere neiging tot een conservatief-politieke opstelling of tot 'wereldmijding', bij vele nieuwe evangelicalen heerst een andere stemming. Hoewel op het gebied van kwesties als abortus en seksualiteit de traditionele puriteinse moraal geldt, is op politiek terrein de links-rechts indeling niet meer toepasbaar, en ook dat geldt voor New Age. Een opvallende overeenkomst is verder de feitelijke afkeer van allerlei dualismen waaraan de dominante cultuur in het Westen nog steeds lijdt, vooral van het lichaam-geest dualisme. Net als in 'lichaamswerk' of het chanten van New Age, speelt in het nieuwe evangelicalisme de afkeer van het puur cerebrale een grotere rol en is er veel aandacht voor het lichamelijke (het lichaam als tempel Gods) en voor het instinctieve, het extatische zelfs, voor de waarde van visioenen bijvoorbeeld. Dat is alles manifester en op een veel vanzelfsprekender manier aanwezig, dan in de traditionele christelijke cultuur. Karakteristiek hiervoor is ook dat muziek bij de nieuwe christenen meer is dan alleen begeleiding of esthetische opluistering, maar één van de belangrijkste vormen van
58
wcs
MAART/APRIL
1998
religieuze aanbidding. Maar de meest wezenlijke overeenkomst tussen New Age en evangelicalisme is toch wel dat beide deel uitmaken van de 'expressieve revolutie' van het moderne individu: hoe groot de ideologische (theologische) verschillen ook zijn, het lijdt geen twijfel dat het evangelicalisme antwoordt op de individualiseringsproblematiek. De zo centrale ervaring van wedergeboorte bij de nieuwe christenen kan verwoord, bevorderd en geïnterpreteerd worden in therapeutische termen: 'eindelijk ben ik door Jezus bevrijd tot mijn eigen zelf'. Zo blijken alle nieuwe religies een plek te zoeken waar het individu een heel mens kan zijn. De nieuw-religieuze mens
Wat moeten we doen? Simpel: ons blijven verwonderen over de versterving én herleving van de religie in Nederland, over de religieuze ruis van de late moderniteit. Iets nauwkeuriger: blijven nadenken over de betekenis van het gegeven dat zoveel ontwikkelingen pleiten voor de gedachte dat de traditionele religie én de daarbij horende religieuze ervaringen en gevoelens aan het verdwijnen zijn, terwijl het religieuze verlangen toeneemt; in Nederland nog aarzelend en onderhuids, dat wel (zodat Nederland hier juist niet voorop loopt maar achterop). Kerkmensen en wetenschappers, gelovigen en dagbladfilosofen, theologen en rationalisten, en verder de grote meerderheid van de Nederlanders die niet weten of ze gelovig of niet-gelovig zijn, houden te weinig rekening met dat wonderlijke dat zich voor onze ogen én in ons afspeelt. In verwondering dus, dat betekent ook: niet met het dédain van de zogenaamde nuchtere rationalist oordelen over de irrationaliteit van de nieuw-religieuze Nederlanders. Waarom niet? Omdat dat niet fatsoenlijk is. En ook omdat het oordeel wat rationeel of irrationeel is doorgaans neerkomt op het verlangen naar intellectuele macht over de ander. En niet te vergeten: omdat het irrationele antwoord van 'de nieuw-religieuze mens' wel eens van een fijner gevoel zou kunnen getuigen van de irrationaliteit van de samenleving dan de rationelen claimen te hebben. Want in het antwoord van de nieuwreligieuze Nederlanders klinkt het besef door van een problematiek waarin ieder van ons leeft, dat wil zeggen, die ieder van ons ondergaat en bevordert. En de kerken, wat zouden zij moeten doen, behalve die oefening in verwondering en bescheidenheid, en die doorgaande verkenning van het culturele landschap van Nederland waarin 'het zindert en knispert van religiositeit'? Het antwoord is: in het praktische handelen eigenlijk niet zoveel! Of het zou dit moeten zijn: de kerken zouden indringender moeten bedenken dat zij zelf producten van de secularisatie zijn, producten van het uit elkaar gaan van het sacrale en het seculiere. Want zij waren het die door kerkmuren het sacrale van het seculiere afschermden. En de kerken zouden zich bovenal moeten realiseren dat hun praktijken en hun boodschap in 'ervaringsintensiteit' niet op kunnen tegen een leven met MTV en house. Maar waarom zouden de kerken eigenlijk niet zoveel moeten doen? In de grond van de zaak omdat er, alles bij elkaar, op kerkelijk gebied al zoveel gebeurd is en er nog steeds zoveel
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998
VU-Magazine | 492 Pagina's