VU Magazine 1998 - pagina 62
nog, ik sta met lege handen, ik moet nog zingen een liedekijn. Het is niet de gedachte dat er een God bestaat, of een eeuwig leven, die de complexiteit van dit lied uitmaakt, het is het 'lied zelf'. Het liegt op een superieure manier. En we weten dat. De beste metafoor voor het 'ergens' 'iets' dat op ons toeziet, is het echtpaar Moeder Natuur en Vadertje Tijd en dit echtpaar ziet onbewogen toe. Het laat ons gewoon geboren worden, leven en sterven. We hebben alleen elkaar in de wereld. Dat is waar poëzie over gaat. Klein vogelijn, op groenen tak, wat zongt g'een lustig lied, wij hebben in de mensentaal, daarvoor de woorden niet. O, zeg ons, zeg ons, aardig beest, wat toch uw soortnaam is geweest, ik denk, ik denk, o aardig beest, dat gij een lijster zijt geweest. Waarom? Omdat het geschreven staat, fan Hanlo, 'Verzamelde gedichten'.
62
WCS JANUARI/FEBRUARI I998
's Morgens Het was half vijf 's morgens in April Ik liep en floot de St. Louis Blues Maar ik floot die op mijn eigen wijze Al fluitend dacht ik: mocht mijn fluiten gelijken op de zang van de grote lijster En waarlijk, na enige tijd geleek mijn fluiten van de St. Louis Blues op de zang van de grote lijster: turdus viscivorus Oh, dat ontroerende Darwiniaanse slot. Waar gaan we naartoe, in deze lezing, en later?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998
VU-Magazine | 492 Pagina's