VU Magazine 1998 - pagina 60
''Wat poëzie Ie doetl met ie aoety hoe dat komt dat het dat met je doety het wordt niet zelden m een nevelm relmeus gebabbel verwoord. Daar ben ik te^em De poëtische emotie, poëtisch genot, komt niet van God, maar mt onze lichamen
6o
wcs
JANUARI/FEBRUARI
1998
Maar, "esthetische emotie is niet eenvoudigweg genot, zoals een orgasme dat is." Ja, dat klopt, dat was voor mij vroeger toch iets anders. Maar wat maakt dan "een kunstwerk, zelfs een abstract kunstwerk, ontroerend, verbijsterend of opwindend?" Het is niet alleen maar een soort orgasme dat het opwekt, niet alleen maar lust, het is meer, het is 'ontroering'. "Ontroerd zijn, tot tranen toe geroerd, is te interpreteren als de overgave aan iets dat groter is dan wijzelf". En: "Het ontroerende kunstwerk wordt herkend als iets dat groter is dan wijzelf en waaraan wij ons kunnen overleveren". Het confronteert ons met "ongewone kwaliteit of betekenis", het confronteert ons met "objecten die herkend worden als uitdaging voor het eigen cognitieve of emotionele assimilatievermogen", het stimuleert "nieuwe raanieren van zien en reageren", het zijn "volmaakte voorbeelden van oplosbare uitdagingen", zowel cognitief als emotioneel, het wekt en bevredigt het verlangen "om zich ergens bij te voegen of zich iets eigen te maken", het verlangen naar "nabijheid en samenhang." Ziezo, het doet nogal wat. Ik kan mij niet herinneren dat mijn genot tijdens het zingen van 'Klein vogelijn' met tranen was vermengd, maar ongetwijfeld gaf ik mij over aan iets dat groter was dan ikzelf. Het lied moet een verlangen hebben gewekt en bevredigd naar iets dat ik nog niet kende, mij vaag bewust hebben gemaakt van een soort eenzaamheid: een niet weten waar je vandaan kwam, waar je naar toe ging, terwijl alle anderen dat wel wisten, een voelen dat je alleen bent, anders dan alle anderen, en het verlangen dat daar uit voortvloeit, het verlangen deze eenzaamheid op te heffen, je 'ergens' bij te voegen en je 'iets' eigen te maken, het verlangen naar 'nabijheid' en naar 'samenhang', en het gaf mij een kortdurende - en daarom steeds weer gezochte - bevrediging, cognitief en emotioneel: doorspoeld met genot wist ik, voelde ik, even: ja, zo is het, er is een God, voor ons allen, ook voor mij. Hij is het die ons verbindt, hoe eenzaam wij ook zijn. U hoort het, ik werd al vroeg een godsdienstig kereltje. In dit kind school een groot gapend gat in de markt, zodra het bewust gingen denken en voelen, en God paste daar naadloos in, verpakt in gezongen poëzie. 'Ergens' was er 'iets', uiteraard, anders was dat liedje er niet en vond ik dat niet zo mooi. Kinderlijk geloof, dat is het mooiste wat er is, en zo moet het geloof ook blijven, heb ik later geleerd. In ieder mens schuilt dat grote, gapende gat in de markt van het kind dat men is geweest, en een liedje over God past daarin. Zo lees ik van die blije, kinderlijk gelovige Toon Hermans in de drieënveertigste druk van een van zijn - voor zover ik kan nagaan negenentwintig bundels een prachtig gedichtje:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998
VU-Magazine | 492 Pagina's