Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1998 - pagina 456

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1998 - pagina 456

5 minuten leestijd

humanisme - dat wil zeggen het antropocentrische christendom in zijn meest vrijzinnige vorm - verliest daarmee zijn grondslag. God had, al met al, evengoed de dodo of de diplodocus tot rentmeester kunnen benoemen, en het christendom dat zich verenigde met, en zelf nieuwe hoop putte uit, een evolutionair verhaal, oriënteerde zich op een sprookje - een sprookje van eigen makelij. Maar zo'n oriëntatie is de enige manier niet waarop je geloof en wetenschap naast elkaar kunt zetten. Steeds meer vrijzinnigen zien in dat het heilloos was van de bijbel iets anders te maken dan het is: een collectie mythen en legenden uit het Nabije Oosten. Gods woord is het alleen in zeer overdrachtelijke zin. Maar daar gaat het helemaal niet om. Waar het om gaat is de religieuze beleving die schuilgaat achter die verhalen. Een beleving die is vormgegeven in zeer tijdsgebonden beelden en verhalen, maar wat voor beleving, en wat voor verhalen! Dit brengt ons bij een moderne vorm van geloof die kunstig balanceert op het randje van de scepsis. Dat geloof leert ons niets over hoe de wereld in elkaar zit, en hoe dingen werken. Daar is geloof niet voor, dat is de taak van de wetenschap. Geloof draait om zingeving. En zingeving begint bij twee belangrijke elementen: het besef dat we oneindig veel niet begrijpen, en het wonder van de religieuze ervaring. Elke verklaring is een verklaring in termen van iets anders, en dat iets anders vraagt ook weer ora een verklaring. Aan dat proces komt nooit een eind. Het besef dat ons begrip beperkt is, vormt een uitstekend uitgangspunt, zowel voor gelovigen als voor agnosten. Kosmische hoop De religieuze ervaring is een overweldigend gevoel van verbondenheid met iets alomvattends. Maar het is ook een heel gewoon gevoel. Waar het precies door komt is onduidelijk. Het doet denken aan het alomvattende licht aan het eind van de tunnel waar bijna-overledenen verslag van doen. Fysiologisch laat dat zich heel wel verklaren als zinsbegoocheling door zuurstofgebrek. Voor religieuze ervaringen in een ruimere zin geldt wellicht iets soortsgelijks. Maar het blijft iets moois. Ook daar zullen gelovigen en agnosten het zonder meer over eens zijn. Het verschil tussen die twee is dat de eersten het alomvattends waarin ze zich soms even opgenomen voelen, koppelen aan de grenzen van ons begrip: God is het totaal van wat we niet begrijpen, het ongekende 'meer' tussen hemel en aarde, het 'iets' dat er wel zijn moet om het onverklaarbare te laten bestaan. De agnost verbaast zich over de inhoud die hier uit twee vraagtekens gesponnen wordt. Geloven dat er 'meer' is, is heel verstandig. Maar om dat meer een naam te geven - God - en te menen dat dat iets toevoegt, is vreemd. Eerst heb je een onbegrijpelijk universum- dat is één ding - en vervolgens postuleer je daar ter verklaring een onbevattelijke God bij. Zo'n stap vermenigvuldigt onbegrijpelijkheden. Maar hij doet nog iets anders.

80

wcs

NOVEMBER/DECEMBER

1998

De toevoeging van God aan het bestaande geeft hoop. Hoop dat niet alles vergeefs is, dat er achter zowel de willekeur als de noodzaak die zo kenmerkend lijken voor het wetenschappelijke verhaal, een andere waarheid schuilt, dat er Iemand is die Iets met ons voor heeft en dat dit Iets iets goeds, iets heilzaams, is. En zo'n gevoel geeft zin aan het bestaan. Doet hoop immers niet leven? De agnost twijfelt. Hij leeft met evenveel verdriet en evenveel vreugde - zij het blijkens recente krantenberichten met een net iets hogere bloeddruk - als de hopende gelovige, en hij gaat als het einde daar is even vredig dood. Kennelijk kun je heel goed leven zonder kosmische hoop. En het blijft zinnig te bedenken dat deze hoop uit het niets geschapen is. Hoe dan ook, als geloof niet langer een alternatieve bron van kennis over de wereld is, valt de moeizame strijd om de waarheid tussen geloof en wetenschap weg. Het een gaat gewoon over - en om - iets heel anders dan het andere. Gelijkwaardigheid Sommigen gaan zelfs een stapje verder: de tijd van de grote Botsing tussen geloof en wetenschap was de tijd van een plat materialistische wetenschap, de tijd van de Russische kosmonaut die uit het heelal terugkeerde met de mededeling dat hij goed om zich heen had gekeken, maar dat hij God niet had gezien, de tijd waarin al het hogere van de mens werd teruggebracht tot genen, hormonen en het evolutionistische inzicht dat wij niets meer zijn dan een kolonie genetisch gemodificeerde bacteriën. En die tijd lijkt voorbij. Even leek het alsof het laatste elementaire deeltje was ontdekt en in kaart gebracht, maar toen natuurkundigen de zaak nog eens rustig doorrekenden stuitten ze op de ene ongerijmdheid na de andere. En met groeiende gedrevenheid begonnen ze steeds onbegrijpelijker en alomvattender modellen te ontwikkelen. En voor de biologie gold iets dergelijks. Waar de wetenschap zijn grenzen lange tijd beschreef in termen van 'we moeten nog even een aantal dingen wat nauwkeuriger uitzoeken', horen we nu verhalen over de noodzaak op heel andere manieren te gaan denken en kijken. Chaos, Complexiteit, Multi-causaliteit en Niet-lineariteit deden hun intrede. Er openden zich nieuwe, zij het nu helaas nog even lege, vergezichten. En het geloof dat zich sterker was gaan voelen omdat het immers om 'iets anders' ging, werd weer benieuwd naar de wetenschap die ook een 'iets anders' leek te beloven. Geloof en wetenschap raakten weer met elkaar in gesprek, en wel op basis van een gelijkwaardigheid die sinds de Middeleeuwen niet meer vertoond was. Of de nieuwe natuurkunde dat 'iets anders' ooit handen en voeten zal weten te geven, weet ik niet. Vooralsnog trekken fysici zich, als ze serieus aan het werk gaan, volledig terug in een louter wiskundig formuleerbare gedachtenwereld. Sommigen proberen daar ook in huis-tuin-en-keukentermen over te spreken, maar dat lukt alleen door met elk huis-tuinen-keukenwoord iets anders te bedoelen dan huis-tuin-enkeukenlezers ooit zullen bevroeden. Vergeleken met de boeken voor het gewone volk van mensen als Michio Kaku

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's

VU Magazine 1998 - pagina 456

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's