Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1998 - pagina 163

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1998 - pagina 163

4 minuten leestijd

De boeren gingen tamelijk rücksichtlos te werk, al hielden ze wel rekening met de draagkracht van het land. Wanneer de zandverstuivingen in omvang toenamen, dan legden ze zichzelf beperkingen op." Pestbosjes

Ook het verhaal over ziekten onder het vee getuigt niet van een plattelandsidylle: "Je had onder schapen bijvoorbeeld de beruchte leverbotziekte, die veroorzaakt werd door een parasiet die in warme, vochtige zomers de galwegen aantastte en in de lever kroop. De dieren stierven uiteindelijk aan bloedarmoede. De besmettelijke runderpest maakte grote aantallen slachtoffers. Tussen 1714 en 1720 overleefde in bijvoorbeeld de buurt van Staphorst niet meer dan één procent van de rundveestapel die ziekte. De regionale overheden probeerden het gevaar in te dammen door het vervoer van runderen alleen toe te staan, wanneer vaststond dat ze vrij van de ziekte waren. De veldwachters waren belast met de controle." In het omgekeerde soepbord van Drenthe was die controle betrekkelijk effectief. De moerassen, die je alleen bij Meppel, Coevorden, Bourtange en Groningen kon oversteken, maakten het de veldwachters gemakkelijk om het overzicht te bewaren. Toch liet de rundveepest sporen na in het Drentse land in de vorm van pestbosjes. Die bosjes zijn ingeplant op plaatsen waar het gestorven vee begraven werd en ze liggen achter in het land, zo ver mogelijk van de boerderijen en het vee. Ze zijn er nog steeds, inclusief een ringsloot om het vee uit de buurt te houden, en bieden nu plaats aan allerlei planten, kruiden, mossen en paddestoelen en bovendien aan insecten en kleine zoogdieren. Langs de weg naar Rolde wijst Bieleman op boerderijen uit de jaren dertig en vijftig van deze eeuw. Ook in die tijd ging het ontginnen van woeste gronden door en geen boer die op het idee kwam dat hij iets beschadigde, dat een jaar of zestig later weer moeizaam hersteld zou moeten worden. Ook de adviseurs van de boeren, de landbouwvoorlichters, dachten daar niet aan. De tijd was niet

rijp voor natuurbescherming en milieuactivisme. In Marwijksoord, even ten zuiden van Rolde, staat in de tuin van een boerderij een standbeeld van landbouwvoorlichter Elema, die in het begin van deze eeuw de kunstmest in Drenthe introduceerde. De boeren droegen hem op handen. Bieleman: "Elema woonde in Hoogeveen en moest omstreeks 1910 een spreekbeurt houden in Roswinkel, een dorpje tussen Emmen en Ter Apel. Hemelsbreed is dat een afstand van een kilometer of veertig, maar hij moest eerst met de trein via Groningen naar Stadskanaal en tenslotte met paard en wagen naar Roswinkel. Dat was minder dan honderd jaar geleden,- de moerassen rond het Drentse soepbord waren nog niet drooggelegd." Een eindje voor het museumdorp Orvelte rijden we door uitgestrekte bossen, die daar al sinds de oertijd lijken te staan. Maar ook dat idee klopt niet. Deze bossen zijn aangelegd door werklozen in de jaren dertig van deze eeuw. Daarvoor lagen hier kale, woeste gronden, oceanen van heide zoals Bieleman ze noemt, met als enige herkenningspunten de kerktorens van de grotere dorpen. In Drenthe, zo blijkt uit de oude topografische kaarten die hij er weer bij pakt, is de invloed van de mens in de landelijke gebieden voortdurend voelbaar. Orvelte is een plaats die Bieleman eigenlijk liever niet aandoet. Het museumdorp moet een beeld geven van het leven op het Drentse platteland in vroeger dagen, maar de expositie is niet bijzonder geslaagd doordat er teveel historische appels en peren bij elkaar zijn gelegd. Wat vooral opvalt, is dat de boerderijen in de zestiende en zeventiende eeuw een flinke omvang hadden. Keuterboerderijtjes in de stijl van 'Bartje bidt niet voor bruune bonen' verschenen pas in later eeuwen in de historie van Drenthe. Een rond raampje in de gevel van een boerderij uit de achttiende eeuw trekt de aandacht van Bieleman: "Dat is de invloed van de Barok, een klein stedelijk element op het platteland."

Jan B i e l e m a n : " W a a r il< m e v o o r a l tegen w i l keren is dat idyllische beeld van de schaapherder m e t zijn v^itgewolde k u d d e . "

Fotografie: E l m e r Spaargaren.

wcs

MEI/JUNI

1998

11

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's

VU Magazine 1998 - pagina 163

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's