VU Magazine 1998 - pagina 164
Zijn standpunten werden hem nooit in dank afgenomen door degenen die hem na stonden. Het lot van de filosoof die andermans zeepbellen doorprikt en ze als riskante utopieën aan de kaak stelt. "Mensen worden boos als je ze h u n geloof afneemt."
Hij staat bekend als een filosoof die een opmerkelijk breed spectrum aan onderwerpen bestrijkt. Hij promoveerde op Albeit Camus, joeg met een vernietigende studie in de jaren zeventig heel welzijnswerkend Nederland in de gordijnen, en bekwaamde zich vervolgens in de techniekfilosofie, een betrekkelijk nieuw vak dat hij aan Universiteit Twente doceert en waarover hij menige publicatie het licht deed zien. Daarnaast ventileert hij tegendraadse meningen over kwesties als natuur en milieu. En nu, medio mei, verschijnt bij uitgeverij Ambo een boek waarin hij afrekent met het verschijnsel utopie en met al degenen die menen op grond van zo'n denkbeeldige ideale samenleving de wereld te kunnen verbeteren. Dat scala aan onderwerpen maakt hem wat ongrijpbaar. Maar met het verschijnen van 'De erfenis van de utopie', komt de rode draad in het denken van prof.dr Hans Achterhuis aardij bloot te liggen. Wat aanvankelijk een pakket losse, onderling nauwelijks verwante thema's leek, blijkt te worden aangestuurd door nog steeds hetzelfde motief dat de schrijver en filosoof van begin af aan voor ogen had: het signaleren van luchtkastelen, het doorprikken van illusies en het ontmaskeren van utopisten met megalomane neigingen. De cirkel lijkt rond. Want ineens wordt duidelijk wat Achterhuis, destijds wellicht nog onbewust, zo in Camus moet hebben aangetrokken; de Franse letterkundige en wijsgeer die dapper, want geheel tegen de tijdgeest in, hardop riep dat zowel het christendom als het marxisme utopieën zijn, die de mens een toekomstige heilstaat in het vooruitzicht stellen, maar hem in feite blij maken met een dode mus. Camus, de 'positieve nihilist', de gedessillusioneerde die met lege handen stond en desondanks gelukkig trachtte te zijn en het bij tijd en
12
WCS MEl/jUNl 1998
Hans G e r t J. Peelen
wijle ook werkelijk moet zijn geweest. Achterhuis, zo valt op g:rond van zijn jongste boek met recht vol te houden, heeft zelf wel iets weg van de Albert Camus die hij vele jaren geleden in 'De moed om mens te zijn' portretteerde. Zo had hij het zelf nog niet bekeken: "Verrassend", zegt hij. "Maar er zit wat in. Camus staat vrij centraal in mijn werk, ook al wordt hij in de latere boeken sporadisch met name genoemd. "Grappig is dat ik, nadat ik op Camus gepromoveerd was, als zovele anderen in die jaren, tégen hem koos en vóór Sartie. Dat was vanwege de controverse over politiek en geweld die tussen die twee gerezen was. Mijn voorkeur van toen had niet zozeer te maken met Camus' mensbeeld, als wel met de politieke keuzes die hij niet en Sartre wèl maakte. Camus vonden wij op het punt van politieke betrokkenheid toen te gematigd, te halfslachtig. Achteraf denk ik dat Camus volstrekt gelijk had in zijn opvatting dat linkse terreur net zo erg is als rechtse en dat er geen doel zo ideëel is dat het middelen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998
VU-Magazine | 492 Pagina's