VU Magazine 1998 - pagina 136
gebeurt, zoveel centraal 'aangestuurde' studies, rapporten, plannen, aanbevelingen en initiatieven om bij de tijd te blijven. Er lijken zich in al die activiteiten grofweg drie strategieën af te tekenen.Dat is ten eerste de strategie van 'de flinkheid', de strategie om zichzelf toe te spreken dat we niet mee willen doen met 'het nieuwe heidendom', 'het gnosticisme in een nieuw jasje', 'het religieuze individualisme' of hoe men de nieuw-religieuze kwalen ook wil benoemen. Die strategie werkt niet, hoewel ze uiteraard altijd wel een zeker aantal religieuze consumenten zal trekken. Want het is kenmerkend voor een individualiserende cultuur dat er altijd wel mensen zullen zijn die hun individualiteit gestalte geven door zich bewust en gewild te onderwerpen aan traditie, hiërarchie en gezag. Toch komt men hierdoor niet echt bij de tijd, omdat men nog steeds van binnen de sociale en culturele muren van de kerk de anderen daarbuiten een boodschap voor de wereld toeschreeuwt, waardoor juist de afstand tussen kerk en 'tijd' bewaard blijft. De andere strategie is 'de aanpassing in organisatie', een strategie met een welhaast oneindig aantal mogelijkheden, variërend met de historisch vastgelegde speelruimtes van de desbetreffende kerk en zich uitstrekkend van wijzigingen in het kerkelijk 'personeelsbestand' tot meer ingrijpende wijzigingen in de gezagsverhoudingen of in de verhouding tussen gemeente en kerkverband. Maar ook deze strategie zal, hoe nuttig het soms ook lijkt, de kerken niet bij de tijd brengen, zelfs niet op het organisatorisch niveau waarop de nieuw-religieuze bewegingen successen boeken, het niveau waarop van onderop, vanuit de 'celgedachte', een gemeenschap wordt opgebouwd, het niveau ook waarop de gemeenschap gerund wordt vanuit de filosofie van een management of change. De derde strategie lijkt het meest te worden gevolgd: het is de strategie van de terugtocht, van het in de schulp kruipen. Het is de volstrekt begrijpelijk strategie om zich uit overlevingsdrang stil te houden en met en onder elkaar een schuilplaats te kiezen in de onbarmhartigheid van de woestijn van de religieuze godsverduistering. 'De wereld' wordt door de kerkgemeenschap losgelaten, de activiteiten gereduceerd tot oefeningen in spiritualiteit onder elkaar. Het merkwaardige is dat deze strategie van de terugtocht misschien wel de meest succesvolle is om bij de tijd te blijven. Maar, hoe begrijpelijk deze reactie ook is, juist ook in deze schuilen grote gevaren. Het is niet alleen het gevaar van de verborgen zelfgenoegzame zekerheid dat alleen 'bij ons' nog een restje echt geloof leeft, binnen die gekrompen herinnering van een eens indrukwekkend institutionele structuur. Maar het is vooral het gevaar van de individualisering van de eigen groep. Want het echte grote risico van onze tijd van individualisering is niet dat afzonderlijke mensen zich onvermijdelijk vanuit hun hoogsteigen belangen, verlangens en behoeftes aan een religieuze gemeenschap verbinden, nee, het echte, grote risico is dat die gemeenschappen zich als collectieve, geïsoleerde individuen gaan gedragen, zich van elkaar afschermen en contactneuroses ontwikkelen. En dat is wat we zien gebeuren: van een oecumenische wil tussen katholiek en protestant is bijvoor-
60
wcs
MAART/APRIL
1998
beeld nog nauwelijks sprake, de overheersende tendens is om gericht te zijn op de eigen identiteit, op datgene wat uitsluit van de andere gemeenschappen. Die tendens tekent zich ook af in de strijd om het bestaan van maatschappelijke organisaties als christelijke scholen, universiteiten, instellingen. Hoe weinig de kerken ook zouden moeten doen omdat ze al lijken om te komen in initiatieven en activiteiten, bezinning op deze paradoxale aansluiting aan de tijd door zich in eigen spiritualiteit en identiteit van de tijd en van elkaar af te sluiten, dat is wat nu hoogst noodzakelijk is. Collectieve arrangementen En tenslotte, de politiek, moet die wat doen in het licht van de versterving en wedergeboorte van de religie? Ach, de politiek. 'God in Nederland' stelde vast dat het vertrouwen van de Nederlanders in de politiek laag is, lager dan het vertrouwen in de kerken (althans wat betreft de politiek als informatiebron). Wat moet de politiek daarmee? De kerken moeten er uiteraard hun voordeel mee doen. Voor de politiek geldt onder meer: simpelweg begrijpen dat in een individualiserende risicosamenleving het afnemend vertrouwen in de politiek, dat symbolische veld van behartiging van onze collectieve arrangementen, niet meer dan logisch is, ja dat wantrouwend cynisme jegens hen die onze leiders willen zijn, bevorderd wordt door die risicosamenleving. Al was het maar omdat de ondoorzichtigheid ervan ook het - terechte - vermoeden kan versterken dat er altijd ergens machtsspelletjes gespeeld worden. Het verlangen naar een nieuwe religiositeit zegt simpelweg dat mensen een waardenschaal aan het aanleggen zijn, waarin de behartiging van het individuele als vanzelf hoger scoort dan behartiging van het collectieve. Wat de politiek vooral moet nalaten is de nostalgie voeden naar de tijd waarin religie de basis zou zijn van een inniger consensus van de Nederlanders over hun normen en waarden. Merkwaardig genoeg komt die nostalgie vaker voor in de politiek dan binnen de kerken. Misschien omdat de kerken beter beseffen dat die consensus er nooit was. En zeker is dat het politieke appèl op de christelijke traditie als basis van de morele samenhang van onze samenleving vroeger of later door velen wordt doorzien als wat het is: als een machtsspelletje met het geloof. De onrust - de chaos volgens sommigen in Nederland - , de veronderstelde groeiende immoraliteit onder jongeren, criminaliteit etc. e t c : voor dat deel van deze klaagzang dat waar is, geldt dat het geen gevolg is van het verdwijnen van de godsdienst als basis van de Nederlandse moraal, maar van een sociaal-structureel gebeuren dat ook telkens door de Nederlandse politiek is bevorderd. Bezinning, terugkijken op het eigen politieke handelen, dat is ook hier meer dan noodzakelijk. Deze tekst zal als Wending-publicatie dit najaar in boekvorm verschijnen bij uitgeverij Meinema. Daarin zullen tevens worden opgenomen de reacties op dit betoog van de zijde van auteurs uit wetenschap, cultuur en politiek.
Fotografie: Rene Koster.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998
VU-Magazine | 492 Pagina's