Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1998 - pagina 137

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1998 - pagina 137

4 minuten leestijd

Hans Sonneveld, 'Promotoren, promovendi en de academische selectie - de collectivisering van het Nederlandse prom oties telsel', Amsterdam University Press, f 49,^0.

Promotiefabriek Promoveren doet een mens in zijn eentje, onder begeleiding uiteraard van een promotor. Daarom lijkt het wat vreemd dat er sinds 1987 een verandering aan de Nederlandse universiteiten heeft plaatsgevonden: de oprichting van onderzoeksscholen. Die scholen zijn promotieinstituten waarbij promovendi nog wel hun eigen promotor hebben, maar waarbij de uiteindelijke beoordeling van de dissertatie plaatsvindt door alle aan de onderzoeksschool werkzame promotoren gezamenlijk. Het promoveren is dus gecollectiviseerd. Hans Sonneveld is directeur van zo'n onderzoeksschool, te weten de Amsterdamse School voor SociaalWetenschappelijk Onderzoek. En in die hoedanigheid heeft hij op grond van eigen observaties zelf een proefschrift geschreven. Een proefschrift dus over het schrijven van proefschriften. Het aardige van zo'n onderzoek is dat de lezer een blik in de keuken wordt gegund: hij krijgt een beeld van de machts- en afhankelijkheidsverhoudingen tussen hoogleraren en promovendi, en de wijze waarop die in de loop der jaren zijn veranderd. Beperking van zo'n onderzoek is, dat de observaties van Sonneveld vaak wat algemener zijn, en minder treffend dan wat je als lezer hoopt en verwacht. De verklaring voor die beperking geeft Sonneveld in zijn boek op een indirecte wijze eigenlijk zelf al aan: hoogleraren en promovendi zullen elkaar in het openbaar niet snel afvallen. Naar buiten toe bestaat een beeld van harmonie, maar onderhuids kunnen de irritaties broeien. Alleen wanneer de relatie al

helemaal op knappen staat, is het toegestaan om openlijke kritiek te uiten, dan verklaart een promotor bijvoorbeeld dat hij het met een promovendus echt niet meer zitten. Maar normaal gesproken bestaat tussen promotor en promovendus een besef van wederzijdse afhankelijkheid. En zo krijgt de lezer bij Sonneveld voortdurend het gevoel dat hij, vanuit ditzelfde besef, niet het achterste van zijn tong laat zien. Situaties zijn doorgaans zo vaag beschreven, dat het onmogelijk is om daarin concrete individuen te herkennen. Het zou immers niet gepast zijn om als promovendus over de eigen promotoren harde noten te kraken in een proefschrift waarin die promotoren zelf het onderzoeksobject vormen. Bovendien moet Sonneveld als directeur van de onderzoeksschool nog wat langer met de aldaar werkzame hoogleraren aan de slag. Het valt te betwijfelen of het wel zo'n voordeel is om wetenschappelijk onderzoek te doen naar personen met wie je beroepsmatige, en mogelijk ook andere betrekkingen onderhoudt. Niettemin, wie die beperking voor lief neemt, krijgt een vrij genuanceerd beeld van continuïteit en verandering in de universitaire wereld voorgeschoteld. Ondanks alle veranderingsdrift is de relatie tussen promotor en promovendus de basis van alles. Tussen die twee bestaat een patronageverhouding - een verhouding tussen meester en gezel - die niet wezenlijk verschilt van de manier waarop het er in de Middeleeuwse gilden aan toe ging. De relatie is

de laatste jaren hooguit wat strakker en hiërarchischer geworden. Er bestaat minder vrijheid in de onderwerpkeuze voor de promovendus, en een grotere druk oin het proefschrift binnen een bepaalde termijn af te ronden. Maar in een ander opzicht heeft de collectivisering juist meer vrijheid met zich meegebracht. Wanneer de expertise van een hoogleraar bij nader inzien niet aansluit bij het onderzoek, kan de promovendus vrij gemakkelijk een andere promotor kiezen. Wanneer een promotor teleurgesteld raakt in een promovendus, kan hij proberen de persoon in kwestie bij een collega onder te brengen. Want uiteindelijk is niemand erbij gebaat als een promotie-onderzoek strandt. Wat dat betreft is promoveren, zeker in de gammawetenschappen, een veel gedisciplineerder aangelegenheid geworden dan het ooit was. Jarenlang maar een beetje aanmodderen is er niet meer bij. Het belangrijkste beeld dat van de onderzoeksscholen blijft hangen, is dat van goed geoliede promotiefabrieken. (KN)

wcs

MAART/APRIL

1998

61

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's

VU Magazine 1998 - pagina 137

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's