VU Magazine 1998 - pagina 124
personen met een controlegroep werden vergeleken, viel één ding onmiddellijk op; de nachtmerrie-lijders hadden vrijwel allemaal een min of meer kunstzinnig beroep. Ze beschouwden zichzelf van kinds af aan als rebellerend, wispelturig, overgevoelig en binnenwaarts gericht. Ze lieten zich sterk beïnvloeden door meningen van buitenstaanders, stonden in het algemeen niet erg sterk in de schoenen. Vrijwel alle nachtmerrie-lijders die door Hartmann waren onderzocht hadden een moeilijke jeugd achter de rug. Een derde bekende weleens aan zelfmoord te hebben gedacht of zelfs een poging daartoe te hebben gedaan. Twee derde had sessies bij de psychotherapeut achter de rug. Vrijwel allemaal zagen ze zichzelf als 'ongewoon'. Volgens Hartmann neigden velen naar het schizofrene. Kinderen van tien jaar en ouder die regelmatig last blijven houden van nachtmerries, zouden in de ogen van Hartmann extra ontvankelijk zijn voor schizofrenie. In het algemeen geldt, aldus Hartmann, dat mensen die zich uiterst kwetsbaar opstellen jegens de buitenwereld meer last hebben van nachtmerries. Ze laten hun 'ik' makkelijker penetreren door onwelgevalligheden. Thin boundaries, dunne grenzen, noemt Hartmann het verschijnsel. Veel nachtmerrielijders zien volgens hem geen duidelijke scheidslijn tussen fantasie en werkelijkheid. Dat klopt met de bevinding dat er zoveel artistiekelingen zaten in de groep nachtmerrie-lijders, stelt Hartmann. Voor kunstenaars is het juist belangrijk dat ze invloeden van buitenaf opnemen en verwerken in hun creaties. Een studie die deze theorie kan onderstrepen - bijvoorbeeld naar de vraag of er zich onder kunstenaars buitenproportioneel veel chronische nachtmerrie-lijders bevinden - is echter nog niet uitgevoerd. In het wereldje van de droomonderzoekers geldt de door Hartmann gelegde verbinding tussen artisticiteit en nachtmerries inmiddels als achterhaald, meldt psychiater dr f. Schreuder, algemeen directeur van Centrum 45, het landelijk centrum voor de behandeling van oorlogsslachtoffers in Oegstgeest. Schreuder, ook universitair docent aan de Rijksuniversiteit Leiden, promoveerde in 1996 op een onderzoek naar 'nachtelijke herbelevingen van psychotraumatische oorlogservaringen'. Hij behoort tot de zéér kleine gemeenschap van nachtmerrie-onderzoekers. Die heeft volgens hem inmiddels de gedachte verlaten dat nachtmerries direct verband houden met persoonlijkheid. Daarvoor zijn ze te moeilijk te karakteriseren, meent Schreuder, die de verdeling in artistiekelingen en niet-artistiekelingen daarom veel te grof vindt. Primaire angsten
Schreuder is het met een andere opvatting van Hartmann wél eens: de oorsprong van de nachtmerrie ligt in de kindergeest. De vrees om door monsters of andere engerds achterna te worden gezeten is bij kinderen levensecht, en is een van de meest prominente terugkerende thema's in nachtmerries van volwassenen. Schreuder: "Mechanismen en patronen die bij het vroege denken horen, zie je in een nachtmerrie terug. Ik denk niet dat het ervaringen zijn die na jaren weer komen bovendrijven, als een soort verdrongen herinneringen. Wel is het naar mijn mening zo dat je tijdens een nachtmerrie denkt als een
48
wcs
MAART/APRIL
1998
kind. Het gaat doorgaans om primaire angsten die je probeert te ontvluchten." Het werk van nachtmerrie-experts lijdt onder dezelfde beperkingen als dat van onderzoekers die ook niet-nare dromen bestuderen: de afhankelijkheid van wat de proefpersonen vertellen is bijna compleet. Met een elektro-encefalogram (EEG) kan de hersenactiviteit van een slaper worden geregistreerd, maar wat iemand denkt laat zich natuurlijk niet in grafleken vangen. Vragenlijsten die onmiddelijk na het ontwaken moeten worden ingevuld zijn de voornaamste informatiebronnen van de droomonderzoekers. Krijgshandelingen
"In het geval van nachtmerries zijn de verslagen wel betrouwbaarder dan bij gewone dromen", zegt Schreuder. "Mensen worden immers meteen wakker uit een droom die heel heftig is geweest. In hun gedachten zijn ze er nog volop mee bezig. Daardoor laten ze zich direct na het ontwaken ook minder snel afleiden. De kans dat een nachtmerrie betrouwbaar wordt gerapporteerd is vrij groot. "Voor onderzoekers is het echter vrijwel ondoenlijk iemand op een nachtmerrie te betrappen. In een slaaplaboratorium is er eigenlijk geen beginnen aan, zegt Schreuder, zéker niet bij een gezond persoon. Veel langer dan een dag of drie kun je proefpersonen niet m een laboratorium laten slapen, en bij een gemiddelde nachtmerrie-frequentie van twee of drie per jaar laten de kansen op een toevalstreffer zich eenvoudig becijferen. Daarbij komt nog een merkwaardig neveneffect: m een laboratorium slapen mensen meestal rustiger dan thuis. Schreuder: "Ze voelen zich veiliger, hebben het gevoel dat er mensen zijn die over hen waken. We vermoeden dat mensen een soort basisangst hebben die minder sterk is wanneer ze onder gecontroleerde omstandigheden gaan slapen." Het gevolg is dat Schreuder zelfs engelengeduld moet opbrengen bij een groep mensen van wie juist bekend is dat ze ongewoon veel nachtmerries rapporteren: de lijders aan een posttraumatische stress-stoornis, de 'doelgroep' van Centrum 45. Schreuder maakt een onderscheid tussen een posttraumatische nachtmerrie en, wat hij noemt, een 'posttraumatische nachtelijke herbeleving'. In de nachtmerrie doen zich verschijnselen voor die niet met elkaar te rijmen zijn: tijden, plaatsen en personages lopen soms dwars door elkaar heen. Zo komen ook personen uit het 'heden' van de slaper voor in dromen over lang vervlogen tijden. Die onlogica ontbreekt in een herbeleving, die zich bovendien ook buiten de REM-slaap kan voordoen en ook daarin verschelt met de 'zuivere' nachtmerrie. Een herbeleving is een vrijwel exacte kopie van de traumatische gebeurtenis zoals die zich in het verleden heeft afgespeeld. Hij voelt nóg echter dan een nachtmerrie,- de dromer heeft niet de indruk dat hij naar een film kijkt, maar dat hij er zelf deel van uitmaakt. Niet zelden wordt in de slaapkamer een complete acteer-act opgevoerd. Schreuder: "Ik heb zelf mensen zo'n herbeleving zien doormaken. Het is vreselijk om te zien. Er zijn mensen die in zo'n toestand door het huis gaan rennen. Ze transpireren heftig, hebben een hoge bloeddruk en polsslag, ogen lijkbleek en zijn zeer angstig. De partner die ernaast ligt, kan denken: hij gaat dood."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998
VU-Magazine | 492 Pagina's