VU Magazine 1998 - pagina 446
beschouwd ook weer niet zó verbazingwekkend is. Tenslotte heeft elke cultuur zijn eigen manier om de werkelijkheid te structureren. Als die structurering zich in taal weerspiegelt, kun je moeilijk verwachten dat de talen van uiteenlopende culturen zich naadloos over elkaar laten leggen.
George van Driem: Op zoek naar een biologisch-evolutionair gefundeerde taaltheorie.
werkwoordsysteem in het Dzonkha. Van Driem: "In het Nederlands is de tijd een onafscheidelijke dimensie van het werkwoordssysteem. Wij kunnen zeggen: 'Ik zal het boek hebben uitgelezen als jij terugkomt'. In het Dzhonka kan dat niet, want het werkwoordssysteem van de Dzhonka is gebaseerd op andere overwegingen. Een mededeling als 'hij heeft gegeten' wordt in het Dzonkha 'hij heeft gegeten en ik heb het gezien', of 'hij heeft gegeten want dat zie ik aan de lege borden' of 'hij heeft gegeten en iemand anders heeft het gezien'. Er is geen vorm om zo'n mededeling sec te doen, zonder tegelijk informatie te verstrekken over de manier waarop die kennis tot stand is gekomen." Het Dumi kent soortgelijke fenomenen. Diep in de taal verankerde semantische categorieën, waarvoor het Nederlands volgens Van Driem "niet alleen geen equivalenten, maar zelfs geen adequate omschrijvingen kent." Wat wel-
70
wcs
NOVEMBER/DECEMBER
1998
Lopende band Van Driem rekent zich nadrukkelijk tot de linguïsten die stellen dat het omgekeerde evenzeer opgaat. Als mensen structureren we onze werkelijkheid via het filter van de taal, en elke taal zal aan die structurering de eigen beperkingen opleggen. Waarmee de linguist verrassend dicht in de buurt komt van de geruchtmakende Siapir-Wor/-hypothese, een leerstuk dat zich tientallen jaren in een grote populariteit mocht verheugen. Tot in de jaren zeventig, toen onweerlegbaar werd aangetoond dat de bewijsvoering rammelde. "Vooral van de voorbeelden die Whorff aandroeg, waren er veel uit de lucht gegrepen", bevestigt Van Driem. "Dat eskimo's zeven woorden voor sneeuw zouden kennen bijvoorbeeld. Maar op lexicaal niveau moet je het ook niet zozeer zoeken. Grammaticale categorieën zijn veel fundamenteler voor de manier waarop de werkelijkheid wordt geconceptualiseerd." Voorbeelden te over, verzekert de linguïst. Neem het Yamphu, dat evenals veel Slavische talen een binaire verdeling in het werkwoordssysteem kent. "Grof gezegd gaat het om twee invalshoeken, twee mogelijkheden om een feit als 'x is gebeurd' te presenteren. In het Yamphu gebruik je óf de vorm 'x is gebeurd, ik wil dat jij dat weet', óf de vorm 'x is gebeurd, dat is in principe te weten'. Zo'n grammaticale eigenschap dwingt de spreker dus een bepaald aspect van de werkelijkheid in aanmerking te nemen. Zoals je in het Nederlands verplicht bent het meervoud te gebruiken zodra er sprake is van meer dan één exemplaar van iets telbaars. Voor ons is dat een vanzelfsprekendheid, maar veel andere talen kennen die verplichting helemaal niet." De veertien onderzoekers van het
Himalya-talenproject, dat in 1993 van start ging, behoren tot de meest productieve van de Leidse universiteit. Ten bewijze trekt Van Driem een splinternieuw, vuistdik proefschrift over het Yamphu uit de kast. "Zulke studies produceren we aan de lopende band." Naast talloze artikelen verschenen er tot dusver vijf grammatica's van nooit eerder beschreven talen. Maar Van Driems persoonlijke ambities reiken verder. De theorievorming in de hedendaagse linguïstiek, meldt hij opgeruimd, stelt bedroevend weinig voor. Structuralisten ruziën met generativisten, afgesplitste scholen liggen overhoop met andere afgesplitste scholen. Maar waar het gaat om fundamentele vragen over taalontwikkeling en taalvermogen, moeten ze de antwoorden allemaal schuldig blijven. Willen linguïsten ooit nog serieus genomen worden door collega's uit andere disciplines, dan zullen ze op zijn minst uit hun ivoren toren moeten stappen. Prototaal In Van Driems optiek is dat maar op één manier te doen. Wat hem voor ogen staat is een biologisch-evolutionair gefundeerde taaltheorie: een theorie die ontstaan en ontwikkeling van taal relateert aan inzichten uit de biologie, de antropogenetica en de neurologie. Een aanzet voor zo'n nieuw paradigma geeft hij in het eerste deel van zijn binnenkort te verschijnen 'Languages of the Himalaya'. "De enige manier om de taalkunde te redden en tot een serieuze wetenschap te maken, is die taalkunde op biologische leest te schoeien. Een evolutionairbiologische theorie kan een brug slaan tussen de generatieve en de structurele stroming. Als de linguïstiek daar niet aan wil, zullen de komende jaren alle belangrijke inzichten in taal van biologen en neurologen afkomstig zijn." Voor Van Driem staat het vast dat taal en taalvermogen even geleidelijk zijn geëvolueerd als de menselijke soort. Ooit moet er zoiets als een rudimentaire taal geweest zijn, vergelijkbaar met het communicatiesysteem van chimpansees en bonobo's. Via allerlei tussenstadia heeft die prototaal zich tot onze
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998
VU-Magazine | 492 Pagina's