Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1998 - pagina 174

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1998 - pagina 174

5 minuten leestijd

de relatie tussen vruchtbomen in het betrokken gebied en de apen die daar leven. Zouden de apen verdwijnen dan verdwijnen de planten waarvan ze leven ook, gewoon omdat de zaden in hun vruchten dan niet langer worden vrijgemaakt en verspreid. Die apen boeren niet in de zin waarin een moderne agrarische ondernemer dat doet, en ook niet in de zin waarin diens ouders en grootouders dat deden, maar wel in de zin waarin de mens dat lange tijd gedaan heeft. De planten en dieren die wij nu alleen nog kennen van het boerenbedrijf waren ooit wilde planten en dieren die het goed bleken te doen in gebieden waar de toen nog als verzamelaar en jager levende mens de toon aangaf. Geleidelijk pasten ze zich beter aan dat milieu aan, en werden ze afhankelijker van menselijk handelen, terwijl de mens afhankelijker werd van hun aanwezigheid. De verhouding die zo ontstond verschilde lange tijd niet erg van die tussen Amazoneaapjes en hun vruchtbomen. Archeologisch onderzoek in het MiddenOosten laat iets van dat proces zien: uit vondsten van zaden van voedselgewassen en botten van landbouwhuisdieren blijkt dat die zo'n vijfduizend jaar geleden een procent of vijf van het menselijke voedsel uitmaakten. Duizend jaar later is dat percentage tot enkele tientallen gestegen. Een zo geleidelijk proces zal door de betrokken mensen niet eens zijn opgemerkt. Volgens Budiansky ging het dan ook niet om uitvindingen maar om een geleidelijk naar elkaar toegroeien van mensen en andere soorten, een geleidelijk toenemende wederzijdse afhankelijkheid, waar beide partijen evolutionair voordeel bij hadden. Onze landbouwhuisdieren zijn zeer succesvol op het evolutionaire toneel, terwijl veel van de soorten waarmee ze ooit hun leefgebied deelden al lang verdwenen zijn. Anders dan die andere soorten slaagden zij erin de mens voor zich in te zetten. Wat ze inleverden aan wol, melk, en een 'voortijdig' eind woog ruimschoots op tegen wat ze wonnen aan bestaanszekerheid voor zichzelf en hun nageslacht. En dat 'voortijdige' eind kwam in de meeste gevallen

22

wcs

MEI/JUNI

1998

een stuk later dan het gekomen was als ze niet tot aan de dag van de slacht door de mens beschermd waren. De dieren waar het hier om gaat verschillen in belangrijke opzichten van andere dieren die zich niet voor zo'n symbiose leenden. Er zijn pogingen gedaan allerlei andere dieren te temmen en bedrijfsmatig te houden, maar vaak mislukte dat. Het moet kennelijk van twee kanten komen. Neotenie Wat er van hun kant kwam is een verandering in vorm en gedrag die Budiansky kenschetst als 'neotenie': ze behielden als volwassenen steeds meer kinderlijke trekjes. Bij de hond zien we dat het snelst: kortere koppen, grotere ogen, en tot op hoge leeftijd puppygedrag tegenover de baas. Volgens Budiansky herkennen archeologen of paleontologen - de kunstinatigheid van het verschil daartussen wordt hier opeens heel duidelijk - de domesticatie van schapen en geiten ook aan korter wordende koppen en dichter op elkaar staande tanden. Maar het belangrijkst zijn toch de gedragsveranderingen. Budiansky vertelt als voorbeeld het verhaal van een drachtig schaap dat hij verzorgde. Het beest leed aan een vaginale prolaps - een toestand waarbij door druk van binnen uit de uterus via de vagina naar buiten geperst wordt. De enige manier om dat te voorkomen bleek uiteindelijk om haar vast te zetten in een enigszins naar voren hellende kist, met een gat voor haar kop zodat ze gevoed en gedrenkt kon worden. Budiansky was verbaasd hoe snel het dier daaraan wende, en zich na haar dagelijkse ommetje door de wei weer vrijwillig bij de kist met voer- en waterbak meldde. Echte wilde dieren krijg je niet snel zo ver. Gedomesticeerde dieren hebben iets braafs en tembaars dat je bij 'wilde' dieren zelden vindt. Ze komen al getemd ter wereld. Natuurlijk is een deel, en wie weet zelfs een flink deel, van wat de huidige landbouw- en andere huisdieren onderscheidt van hun voormenselijke voorouders het resultaat van gerichte, kunstmatige.

selectie. Maar dat was slechts de voortzetting van een veel langduriger 'onbewust' proces: men zaaide van wat men het liefste at, en men doodde en at de dieren waar men geen ander emplooi voor had. Geen bioloog die dat 'kunstmatige' selectie zou noemen. De overgang tussen huisdieren en 'wilde' dieren is heel vloeiend. Niemand zal de huismuis een huisdier noemen, maar hij is wel van ons afhankelijk. Wie uit diervriendelijkheid geen wrede klapval maar een muisvriendelijk vangkooitje gebruikt en de gevangen muis vervolgens in park of weiland 'vrij' laat, stuurt die muis een zekere, zij het tragere, dood tegemoet. Buitenshuis kan zo'n beest helemaal niet leven, 't Is slechts één voorbeeld van de nare gevolgen die onze goede bedoelingen in combinatie met onwetendheid voor dieren kunnen hebben. Onwetendheid leidt trouwens wel vaker tot narigheid. Als de mens echt had kunnen beslissen om landbouwer en veehouder te worden dan zou hij het wellicht nooit hebben gedaan. De voordelen voor de dieren en planten in kwestie waren veel groter dan die voor de mens. Zij werden groter en talrijker, terwijl hij er blijkens archeologische vondsten qua lichaamsgrootte en gezondheid flink op achteruitging. Het duurde duizenden jaren voor het boeren echt iets begon op te brengen en de menselijke populatie flink begon te groeien. En ook dat was een gemengd genoegen, want een grotere populatiedichtheid leidt licht tot meer infectieziekten en andere parasieten, en bij een mislukte oogst was er geen weg meer terug naar het gezondere bestaan van jagers en verzamelaars, want die levenswijze vereist een veel lagere populatiedichtheid. Geitenwollensokkendragers Zo ongeveer schetst Budiansky onze relatie met de dieren die ons evenzeer domesticeerden als wij hen. En hij houdt een al even leerzaam verhaal over wat er gebeurt in het groene gebied waar geen landbouw wordt bedreven. Natuurminners voeren graag actie tegen de jacht en voor het bijvoeren van honge-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's

VU Magazine 1998 - pagina 174

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's