VU Magazine 1998 - pagina 91
zittingen daardoor nu nodeloos omslachtig te worden, en de gemiddelde burger is niet altijd blij mee met het optreden van de advocaat. Het is een klassieke vraag: hoe kun je een moordenaar verdedigen? "Mijn benoeming, eind jaren tachtig, tot hoogleraar politierecht, kun je zien als een erkenning dat het hier in het strafprocesrecht om een echt vakgebied gaat, dat de afgelopen jaren alleen maar complexer is geworden en gegroeid is. In de loop van de tijd is mijn professionele interesse voor de politie dus toegenomen. Ik kan mij daarbij nog steeds verplaatsen in wat agenten moeten doen. Je kent die wereld van de binnenkant en van de buitenkant. Ik kijk met een juridische blik, die ook normatief is, naar het politiewerk, maar met een gezond gevoel voor de praktische toepassing. Je mag niet het onmogelijke vragen. Het voordeel om zelf uit die wereld afkomstig te zijn, is dat je dilein.ma's en afwegingen wat reëler kunt beoordelen." Is het voor politie gemakkelijker of juist moeilijker om kritiek van een ex-collega te accepteren? "Aanvankelijk hadden ze er moeite mee. Toen ik net weg was, heb ik eens wat kritische opmerkingen gemaakt over het optreden van de Mobiele Eenheid tijdens de Nieuwmarktontruimingen. Dat nam de politie mij niet in dank af. Ze vonden dat een vorm van natrappen; of, zoals dat in klassieke termen heet, het bevuilen van het eigen nest. Dat mijn kritiek ook voortkwam uit betrokkenheid, realiseerden zij zich niet. Naarmate de jaren vorderden is echter duidelijk geworden dat je een discussie voert op basis van argumenten. Als die argumenten geldig blijken te zijn, waarderen ze je als iemand die niet vanuit een ivoren toren wetenschap bedrijft, maar weet waarover hij het heeft. Mijn politieverleden bleek toen plotseling in mijn voordeel. "Het is heel curieus. Ik heb goede ervaringen met de medewerking van politieagenten aan wetenschappelijk onderzoek. Ze zijn heel open en kennen weinig geheimen. Als je erbij hoort, hoor je er ook echt bij. Zo kun je als onderzoeker diep doordringen in hetgeen aan de orde is, terwijl dat bij veel andere instanties aanzienlijk moeilijker ligt. Tegelijkertijd is men bij de politie uiterst gevoelig voor kritiek, voor negatieve beeldvorming." Uit de solidariteit van agenten met hun collega's van het bureau Warmoesstraat die een zwerver op straat smeten waarna deze overleed, spreekt vooral een benauwende groepsgeest. "Je zou hier inderdaad van misplaatste solidariteit kunnen spreken. Die agenten zijn na die gebeurtenis aangehouden en als verdachten behandeld, en dan sluiten de rijen zich onmiddellijk. Men denkt; iedereen kan zoiets overkomen, zoveel bijzonders is er toch niet gebeurd? De collega's hebben een fonds opgericht waarmee de verdachten op vakantie konden, terwijl het wel om de verdenking van ernstig delicten als doodslag en zware mishandeling gaat. Dat getuigt van slechte smaak. De collega's hadden die solidariteit nooit op deze wijze publiekelijk mogen uitventen. Het is bovendien
voor de familie van de gestorven man heel pijnlijk, en dan druk ik mij nog zacht uit. Het heeft mij verbaasd dat de politieleiding de solidariteitsacties met de collega's van de Warmoesstraat zo lang heeft laten begaan. Kennelijk oordeelde men dat het hier om heel krachtige emoties ging, en dat men die beter even kon laten uitwoeden." "Het solidariserende gedrag suggereert dat politiemensen zich niet realistisch oriënteren op hun positie in de samenleving. Ze kunnen een normaal strafrechtelijk onderzoek niet accepteren wanneer het een collega betreft, en dat terwijl ze dagelijk mensen uit hun huis halen en in de cel gooien. Met die rolwisseling weten ze niet goed raad. Dat is ook gebleken uit 'Onder schot' een onderzoek dat onder mijn leiding is gedaan naar het vuurwapengebruik bij de politie. Als een politieambtenaar iemand heeft neergeschoten, is dat technisch gezien een delict, en volgt er altijd een onderzoek. Als representant van de overheid die de veiligheid van burgers garandeert, rekenen agenten die hun vuurwapen gebruikt hebben, op een eervolle thuiskomst. In plaats daarvan krijgen ze de status van verdachte. De kans dat ze daadwerkelijk gestraft zullen worden is overigens vrijwel nihil, dat gebeurt maar in minder dan één procent van de gevallen waarbij een politieambtenaar gericht op een burger schiet. Niettemin is het in psychologisch opzicht moeilijk omgaan met de status van verdachte. Maar ik denk dat iedere politieambtenaar zal moeten accepteren dat aan hem hogere eisen worden gesteld dan aan een doorsneeburger." Was er in uw tijd als politieambtenaar een ander type misdaad dan tegenwoordig? "In raijn tijd was de verkeerscriminaliteit nog een groeimarkt. De politie kocht Porsches voor op de snelweg; het zag er allemaal heel flitsend uit, daarmee kon je scoren en carrière maken als agent. Het was ook de tijd van de grote problemen in de handhaving van de openbare orde. Het overheidsgezag werd voortdurend uitgedaagd. In 1969 is de Mobiele Eenheid bedacht als oplossing; er moest getraind worden in collectief optreden."
"Elke politieambtenaar die zich nu niet van een wettelijke rugdekking verzekert, kan vleten dat hij een probleem heeft."
U had in de jaren zeventig veel bezwaar tegen de ME. "Ik had niet zozeer bezwaar tegen het bestaan van de ME, maar wel tegen de manier waarop ze hun werk deden. Ik ben wel altijd een voorstander van het idee geweest, evenals van dat van de arrestatieteams die in de jaren zeventig en tachtig zijn gevormd als reactie op gewelddadige vormen van politiek verzet en terrorisme. Het gaat om modellen om politiegeweld
wcs
ilktiCèïlIé
MAART/APRIL
1998
15
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998
VU-Magazine | 492 Pagina's