Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1998 - pagina 199

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1998 - pagina 199

5 minuten leestijd

"Ik zeg altijd: de maan ziet eruit als een pas omgespitte tuin. Het oppervlak heeft praktisch geen kleur. Alles is zwart-wit en in tinten grijs." Ondanks deze weinig boeiende omschrijving is Henk Nieuwenhuis al vanaf zijn jeugdjaren gefascineerd door het hemellichaam. Je mag de conservator van het Eise Eisinga Planetarium in Franeker dan ook met recht een maangek noemen. Duizenden foto's en tekeningen heeft hij van de satelliet. Niet alleen van het ruige landschap, maar ook van de astronauten die hun legendarische eerste stappen op de maanbodem zetten. In zijn tuin een zelfgebouwde sterrenwacht. En daarvoor, in de beginjaren van zijn uit de hand gelopen hobby, een bescheiden telescoop, wat al volstaat om de maan nauwgezet te bestuderen. Hoewel we met de moderne technieken tegenwoordig ook prachtige foto's van het maanlandschap kunnen maken, blijft Nieuwenhuis zweren bij de oude methode die volgens de amateur-astronoom het oog scherp houdt. Pas als je ieder waarneembaar detail met potlood en Oostindische inkt op papier zet, leer je de maan echt kennen en weet je er na verloop van tijd je weg te vinden. "Veel mensen weten het niet, maar Thomas Harriot was de eerste die driehonderd jaar geleden begon met het natekenen van de maan. Pas daarna richtte Galileo Galileï zijn kijkinstrument op het hemellichaam om schetsen van het oppervlak te maken", vertelt Nieuwenhuis. Met verbazing constateerde Galileï dat de maan helemaal geen effen, glanzend oppervlak had, zoals men altijd had gedacht. Hij zag een ruig landschap met scheuren, gigantische kraters en bergen.

Tekende Galilei nog om wetenschappelijke redenen - om de maan te exploreren en in kaart te brengen - voor Nieuwenhuis is er wetenschappelijk gezien weinig eer te behalen aan zijn hobby. Puur uit nieuwsgierigheid is de amateur-astronoom er 35 jaar geleden mee begonnen. "Eerst was er alleen maar verbazing en verwondering, net als bij Galileï destijds. De eerste maand graas je echt de hemel af. Daarna komt het moment waarop je er beelden van wil hebben. Je probeert de nieuwsgierigheid waarmee je kijkt op papier over te brengen."Maar ook praktische overwegingen wakkerden Nieuwenhuis' belangstelling voor de maan aan: het hemellichaam staat nu eenmaal het dichtst bij de aarde, gemiddeld op een afstand van 384.000 kilometer. "Je ziet zo veel details dat het net lijkt of je de bergen in Zwitserland van bovenaf staat te bekijken. Richt je een telescoop op de planeten, dan neem je nauwelijks wat waar. Neem bijvoorbeeld Mars onder zeer gunstige omstandigheden. Het weer is goed, de planeet staat zo dicht mogelijk bij de aarde, ongeveer op 56 miljoen kilometer. Dan zie je hem als een bolletje van vier millimeter doorsnede."

Kleurcodes "Van de maan bekijk je gewoon een deel van het oppervlak. Je ziet de schaduw van de zon op de maan veranderen, heel langzaam. Bodems van kraters worden plotseling zichtbaar, er verschijnt een puntje, waarschijnlijk de piek van een berg, dat heel langzaam verlicht wordt. Enorm spannend. De scherpste details zie je op de terminator, de scheidslijn tussen dag en nacht." "Wil je de maan gaan tekenen, dan moet je kiezen voor een klein gebied vlakbij die scheidslijn. Je kunt er maximaal drie kwartier over doen om het zo goed mogelijk in beeld te brengen, anders veranderen de details door het opschuiven van de terminator zodanig dat je tekening niet meer overeenkomt met wat je ziet. En dan weet je niet meer of alles klopt. Daarom werk ik met kleurcodes. In plaats van alles ineteen in te kleuren, zet ik de cijfers een tot en met vijf in mijn schetsen. Die staan voor

de tinten zwart, wit en enkele grijstinten daartussenin. Pas als ik klaar ben met tekenen, vul ik de vlakken in. Vervolgens kijk ik nog even door de telescoop om alles te controleren." De conservator, die tevens voorzitter is van de werkgroep planeten en sterren van de Nederlandse Vereniging voor Weer- en Sterrenkunde, kent na al die jaren schetsen de maan als zijn broekzak. Tenminste, de stukken die hij heeft kunnen uitpluizen met zijn kijkinstrumenten. "Je kunt niet ieder plekje van de maan bekijken. Zeker niet in Nederland. Je hebt ongeveer achttien jaar lang mooi weer nodig om alles te kunnen zien. Zo lang duurt het namelijk voordat ieder stukje van de maan door de zon is beschenen. Dat heeft te maken met de hoek ten opzichte van de zon, die altijd iets verschillend is. En dan nog ben je er niet. Want hier zijn de weersomstandigheden slechts veertig nachten per jaar ideaal. "In Nederland is de grootste lensdoorsnede die je voor je telescoop kunt gebruiken vijftien centimeter. Een grotere lens heeft geen nut - je ziet er niet beter door. Dat komt door allerlei zaken die je beeld beïnvloeden, zoals de vochtigheid en de licht- en luchtvervuiling. Ook is het belangrijk dat de temperatuur van de plaats waar je zit hetzelfde is als de temperatuur in de rest van de omgeving. Is het bijvoorbeeld aan de grond warmer dan een eindje boven je telescoop, dan stijgt die warme lucht op. Normaal zie je dat niet, maar doordat je kijkinstrument alles vergroot, zie je alles trillen, net als in hete zomers boven de weg. Dat kan je beeld dus behoorlijk verstoren. Wat dat betreft is de winter een ideaal seizoen, want dan staan de luchtmoleculen bijna stil." Het vereist dus nogal wat geduld voordat Nieuwenhuis aan zijn waarnemingen kan beginnen. Ook als het dan zo ver is, kan het nog mis gaan. "Je moet altijd een kwartier wachten voordat je ogen aan het donker gewend zijn. Daarom keutel ik na de opstelling van de telescoop nog wat rond. Het gebeurt wel eens dat het weer plotseling omslaat. Dan kun je al je spullen inpakken. Dat hoort nu eenmaal bij de hobby", relativeert de Fries.

wcs

MEI/JUNI

1998

47

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's

VU Magazine 1998 - pagina 199

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's