Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

VU Magazine 1998 - pagina 99

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VU Magazine 1998 - pagina 99

4 minuten leestijd

macroscopische gezichtspunt van de natuurlijke historie "de humaniora en de sociale wetenschappen krimpen tot gespecialiseerde takken van de biologie", in zijn autobiografie zegt hij dat hij "de biologie via een systeiTiatisering van de nieuwe discipline sociobiologie een plaatsje in de sociale wetenschappen [wilde] geven", en dat klinkt een stuk bescheidener. Hoe dan ook, het "sociobiologiedebat" heeft maar even geduurd, en meer schade dan een kannetje water over zijn hoofd en een enkeling die hem geen hand meer wilde geven heeft het Wilson niet gedaan. Vechter als hij is, stimuleerde het hem vooral tot een uitwerking van zijn ideeën over de relatie tussen genetische en culturele evolutie, en dat was slechts een intermezzo. Het was ook in zekere zin een veel te theoretische onderneming. Biofilie Wilson is eigenlijk vooral een moderne Jacques P. Thijsse. Maar dat 'moderne' maakt veel uit. Tegenwoordig is natuurlijke historie hoogstens nog een vergeeflijke hobby. Wat telt is de 'theorie', zeker sinds de klassieke biologie na de moleculaire oorlogen er alles aan doen moest haar wetenschappelijkheid te bewijzen. Maar Wilson is geen theoreticus. Het encyclopedische karakter van zijn boeken dat hij zelf memoreert, heeft dan ook niet alleen betrekking op de eindeloos vele voorbeelden die hij geeft maar ook op de soms haast barokke theoretische verscheidenheid die hij de lezer voorlegt. Die theorie geeft hij dan ook nog een raadselachtige lading mee. Het klinkt allemaal heel fascinerend maar ook heel nadrukkelijk en zwaarwichtig, en wie probeert te analyseren wat Wilson precies beweert grijpt in stroop. Waar komt die plechtstatige raadselachtigheid vandaan? Het enige waar Wilson met religieus enthousiasme voor vecht is respect voor de natuur in al haar verscheidenheid. Hij gebruikt daarvoor allereerst de gangbare argumenten: erosie, verlies aan diversiteit, het risico van een oecologische ramp. Maar hij beroept zich ook op wat hij biofilie noemt: "de aangeboren neiging ons te concentreren op leven en

levensprocessen". In zijn boek daarover, 'Biophilia' uit 1984, spat zijn eigen biofilie van elk bladzij. Het staat opnieuw vol spannende verhalen over zijn ontmoetingen met mieren, slangen en andere dieren, en de ontberingen die hij zich voor de ontmoetingen getroostte. Maar het staat ook vol duister proza als: "Ik zal duidelijk maken dat onderzoek naar en verbroedering met het leven een diep en ingewikkeld proces in onze geestelijke ontwikkeling is. In een mate die filosofie en religie nog steeds onderschatten berust ons bestaan op deze neiging, is onze geest eruit geweven, en verheft zich hoop op zijn stromen. En er is meer. De moderne biologie heeft een wezenlijk nieuwe manier ontwikkeld om naar de wereld te kijken die toevallig verwant is met de interne richting van de biofilie. Met andere woorden, in dit zeldzame geval gaan instinct en rede gelijk op." Echt snappen wat hier staat doe ik niet. Dit soort passages - en je vindt ze in bijvoorbeeld 'Sociobiology' net zo goed als in 'Biophilia' - zijn net zo ondoorgrondelijk als Wilsons verhalen over levende dieren helder zijn. In wezen zijn er twee Wilsons: de helder formulerende natuurlijke historicus die verslag doet van de rijkdom aan dierlijk leven die hij met eindeloos geduld heeft onderzocht, én de bevlogen bouwer van een theoretisch systeem dat tegelijk levenswetenschap, filosofie, godsdienst en ethiek wil zijn, en dus uiteindelijk niets van dat alles is. Zou het kunnen dat hij de emotionele lading van zijn geloof heeft overgedragen op de natuurstudie die juist in de levensfase waarin religieuze waarheden hun betekenis verliezen zo belangrijk voor hem is? En dat de theorie die hij ontwikkelen moest om serieus te worden genomen de plaats is gaan innemen van de geloofswaarheden die zijn leven ooit compleet doordesemden? Dat zou dan verklaren waarom hij met zoveel inzet en zelfopoffering onderzoek doet. Het verklaart ook waarom hij herhaaldelijk - óók in zijn meest wetenschappelijke teksten - ontbrandt in haast visionair proza om aldus de onmetelijke schoonheid en complexiteit van de natuur die hij bestudeert over te dragen.

En het verklaart waarom het hem ontgaat dat zijn biofilie iets heel persoonlijks is. Hij vraagt zich niet eens af of anderen dat ook kennen. Ze zijn zich er hoogstens nog niet van bewust, en dat moet anders. Wilson schrijft uiteindelijk bekeringsproza, al vormt het in dat genre een hoogtepunt: een fascinerende combinatie van raadselachtigheid en prachtige verhalen. De belijdend bioloog m hem zweept de begaafde natuurlijke historicus tot ongekende hoogten op. Zijn werk is het lezen meer dan waard vanwege de verhalen over al die dieren die hij zo heel goed kent, maar wie meer wil weten over biologische theorie komt bedrogen uit, al kan het even duren voor je dat in de gaten hebt.

Naar aanleiding van Edward O. W i l s o n , 'Van mieren bezeten - memoires van een opmerkelijk bioloog', H e t Spectrum, U t r e c h t , 1997.

wcs

MAART/APRIL

1998

23

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's

VU Magazine 1998 - pagina 99

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1998

VU-Magazine | 492 Pagina's